Minder verdienen dan het minimumloon, verborgen werkloosheid, geen financieel vangnet: er gaan verontrustende verhalen over zelfstandigen zonder personeel. Hoe kijkt men in de advocatuur tegen zzp’ers aan? En hoe vergaat het de advocaat-zzp’er?

‘We adviseren wel over zelfstandigen zonder personeel. Maar als je in de krant leest dat het er inmiddels zo’n 750.000 zijn, zou je verwachten dat het onderwerp meer zou leven,’ vertelt Homme ten Have, specialist arbeidsrecht bij Nauta Dutilh. ‘Het lastige is dat het betrekkelijk vaag is wat een zzp’er is. Je hebt de klassieke variant, daaronder vallen de mensen die een vrij beroep uitoefenen zonder werknemers. En je hebt in de huidige flexibele economie degenen die hetzelfde werk doen als werknemers, maar die hun tijd verhuren als zelfstandige. Bij die laatste groep kan het snel ook weer de vorm van werknemerschap aannemen. Je kunt je afvragen of het niet tijd wordt om het begrip zzp in de wet vast te leggen. Nu willen partijen bij het sluiten van de overeenkomst iets, en moet je achteraf kwalificeren: was dit een arbeidsovereenkomst of iets anders?’
    
Volgens Ten Have zouden werkgevers behalve een standaard arbeidsovereenkomst voor bepaalde en onbepaalde tijd eigenlijk ook een standaard zzp-contract moeten hebben liggen. ‘Omdat een zzp’ er geen werknemer is val je terug op het reguliere contractenrecht en moet je aan basale dingen denken: wat gebeurt er bij een bedrijfsongeval, wat zijn de mogelijkheden van beëindiging?’

Flexibele schil
Toch heeft ook het kantoor van Ten Have geen standaardcontract voor zzp’ers. Kantoorgenoot Warner Roeters van Lennep, ook arbeidsrechtspecialist en daarnaast bestuurslid met portefeuille HR, vertelt waarom: ‘We maken heel weinig gebruik van zzp’ers. We hebben een enkele secretaresse die op zzp-basis invalt en een vertaalster die in het buitenland woont. Onder de juristen komt het slechts incidenteel voor. Het prettigste is uiteindelijk als mensen aan ons verbonden zijn. Je vormt een club met elkaar. We zijn wel bezig met de vraag of we de flexibele schil wat moeten uitbreiden, omdat de economische situatie zo onzeker is. Maar tot nu toe hebben we eigenlijk alleen mensen als advocaat ingehuurd die eerder bij ons in dienst waren, die we zelf hebben opgeleid. Mensen die zeven jaar of langer bij ons gewerkt hebben en daarna voor zichzelf zijn begonnen. Zij kennen de kantoorcultuur.’
   
Die terughoudendheid om juristen ‘van buiten’ in te schakelen komt Christ’l Dullaert bekend voor. In 2005 begon zij Le Tableau, een bureau dat advocaten en notarissen op freelance basis uitzet. ‘De Angelsaksische kantoren zijn er gemakkelijker in, die doen het al jaren. Voor Nederlandse kantoren is het nog steeds niet gewoon. Maar je ziet wel enige verandering. Het klinkt cynisch, maar voor ons is de recessie goed. Met name in het notariaat zijn enorme klappen gevallen. De schrik zit nog zó in de benen dat men heel terughoudend is om vast personeel aan te nemen. Maar ook in de advocatuur wordt het onderwerp gemakkelijker bespreekbaar. We krijgen veel aanvragen van kleine kantoren, maar daar vormde het tarief vaak het struikelblok. In de toevoegingspraktijk verdien je als advocaat als je het goed doet zo’n 85 euro per uur. Dan is een tarief van 130 euro niet te betalen. Daarom hebben we voor kantoren met meer dan 50 procent toevoegingspraktijk onze tarieven naar beneden bijgesteld. Al met al is de vraag in de advocatuur redelijk stabiel, alleen de rechtsgebieden variëren afhankelijk van de conjunctuur.’
   
En het aanbod? Dullaert: ‘Tot mijn grote verbazing is dat al die jaren heel constant. Ik had gedacht dat door de recessie niemand meer zelfstandig zou willen zijn.’

Aan de grond
En inderdaad: je hoort de laatste tijd de nodige doemverhalen over zzp’ers. Veel verborgen werkloosheid, zei Allen & Overy-advocaat en SER-Kroonlid Ferdinand Grapperhaus onlangs in het tv-programma Nieuwsuur. Als je die bij de ‘echte’ werklozen optelt heb je een stijging van 9 procent. Grapperhaus pleit ervoor zelfstandigen onder de verplichte sociale verzekeringen te brengen. Ex-advocaat Gerrard Boot zei bij zijn inauguratie als hoogleraar arbeidsrecht in Leiden dat een grote groep zzp’ers te afhankelijk is van één opdrachtgever. Hij stelde onder meer voor dat arbeidskrachten een bepaald minimuminkomen zouden moeten verdienen om als fiscaal en arbeidsrechtelijk zelfstandige te kunnen werken. En HP/De Tijd beschreef onlangs de zzp’er van boven de 45 als ‘zelfstandig, ervaren en overbodig’: minder opdrachten, dalende tarieven.
   
Maar dan hebben we het zeker over de vrachtwagenchauffeurs, de postbezorgers, de dakbedekkers? Vast niet over de hoogopgeleide freelancer? Toch wel. Even een uitstapje naar een met de advocatuur vergelijkbare beroepsgroep. Jan de B. (60) (op zijn verzoek anoniem) is een registeraccountant. In 1999, na twintig jaar werknemerschap, vond hij het welletjes en begon hij een eigen onderneming. ‘Ik was in dienst als senior business controller en ik kon direct als interim financieel manager aan de slag. Ik had de vrijheid, kon veel meer bij mijn gezin zijn en verdiende beduidend meer dan in dienstverband. In 2002 wilde mijn vrouw scheiden. We moesten het huis verkopen, ik leidde een tijdje een soort zigeunerleven, had mijn hoofd niet bij mijn werk. De alimentatie werd gebaseerd op mijn laatstverdiende inkomen, maar in 2003 en 2004 was er nauwelijks brood op de plank. Daarna trok het aan, ik kocht in 2007 een huis met aflossingsvrije hypotheek. Vanaf 2008 werd het weer rustiger. Ik had reserves, maar in 2010 begon het echt te knellen. In 2011 had ik niet één opdracht. Nu heb ik bij de bijstand een overbruggingskrediet aangevraagd. Ik heb mijn huis verhuurd – als ik het verkoop eindig ik met een restschuld. Ik ben zestig jaar, heb niet veel tijd meer om het allemaal op te lossen. Detacheerders zeggen: uw leeftijd speelt wel een rol, u bent wel erg zwaar. Ik zit ik aan de grond.’
   
Alle verontrustende geluiden over zzp’ers die de laatste tijd de ronde doen, komen in het verhaal van De B. terug. Leuk, die onafhankelijkheid, maar tegen onverwachte omstandigheden zoals een scheiding en aanhoudende economische crisis valt niet op te reserveren. Voeg daarbij het onvermijdelijke stijgen der jaren en voor je het weet ben je geruïneerd. Hoe zit dat in de advocatuur?

Tussenfase
Het lijkt erop dat de interim-advocaat in het algemeen een wat ander pad volgt. Zoals Eva de Graaff (40). Ze werkte eerst acht jaar als advocaat in loondienst, aanvankelijk bij de Brauw Blackstone Westbroek en later bij Van der Steenhoven. ‘Ik wilde niet de vastigheid van het partnerschap, ik zocht vrijheid.’ Vijf jaar geleden begon ze als zzp-arbeidsrechtadvocaat en ontwikkelde zich daarnaast tot trainer-coach. Ze werkte voornamelijk voor advocatenkantoren en andere dienstverlenende opdrachtgevers. Bouwde pauzes in om te reizen, persoonlijke ontwikkelingstrainingen te volgen en bij haar gezin te zijn. ‘Ik heb nooit spijt gehad van deze stap, het is zo afwisselend. Je bent vaak dubbel dienstverlenend, je helpt de rechtszoekenden, maar ook de organisatie die je inhuurt. Je moet snel de politiek doorhebben, je hebt je aan te passen. En dan is het ook leuk dat een opdracht eindig is. Nu ben ik inmiddels kostwinner en neig ik weer naar een baan binnen een organisatie. Mijn droom is een gecombineerde baan als arbeidsrechtadvocaat en begeleider van jonge advocaten.’ Want tegenover de vrijheid staat natuurlijk toch die financiële onzekerheid. ‘En toen ik veertig werd dacht ik ook wel even: zou mijn leeftijd bij het vinden van opdrachten mee gaan spelen?’
   
De keuzes van De Graaff passen in een breder beeld dat Christ’l Dullaert van interimbureau Le Tableau heeft: ‘Zeker de helft van de mensen die via ons werken komt van de grotere kantoren. Ze kiezen voor een zelfstandig bestaan, vaak om meer beslissingsvrijheid te hebben, of een betere work/life balance. Ze zijn vaak blij van het politieke spel binnen zo’n groot kantoor af te zijn. Maar na een paar jaar gaan ze de collegialiteit missen, de jurisprudentiebesprekingen, het kantoor dat alles voor ze regelt. En dan kiezen ze weer voor een vast verband.’ De zzp’er nieuwe stijl in de advocatuur lijkt het zzp-bestaan dus meer als tussenfase dan als levensvervulling te beschouwen en ontkomt daarmee mogelijk aan de sores waar de oudere zzp’er in andere beroepen mee te maken krijgt.

Vangnet
Maar binnen de advocatuur bestaat natuurlijk naast die moderne interim-advocaat nog een heel ander soort zzp’er: de klassieke eenpitter. Frederik Wolters (65) is penningmeester van de Belangenvereniging voor Ondernemende Advocaten (BOA). Hij heeft een algemene praktijk van voornamelijk civiel recht. Volgens de BOA-site ‘beantwoordt hij verregaand aan het archetypische beeld van de advocaat zoals dat bij “de mensen” leeft. Alleenzitter met praktijk aan huis. (…) Heeft na ruim 26 jaar [inmiddels 37, red.] advocatuur steeds meer zin in zijn moeilijke en boeiende en vooral: vrije beroep.’ Dat klinkt romantisch, maar is dat nou nog wel te doen, die algemene praktijk, in de huidige ‘complexe maatschappij’? ‘Jazeker,’ zegt Wolters. ‘Ik krijg wel eens zaken over onderwerpen waar ik weinig van af weet. Sponsorcontracten, projectontwikkeling, een pensioenkwestie. Dan begin ik met vragen stellen, vaak draait het toch om de feiten. En als ik iets niet weet, dan vraag ik gewoon advies bij een specialist op een groot kantoor. Die is dan twee keer zo duur als ik ben. Maar je kunt uitstekend praten als advocaten onder elkaar. Dan krijg ik een advies en een stapel jurisprudentie en daar ga ik dan weer mee verder. Die kantoren vinden dat prima.’
   
Hoe kijken zzp-advocaten aan tegen de suggestie om de zzp’er onder de verplichte sociale werknemersverzekeringen te brengen? De Graaff: ‘Als je als hoogopgeleide zzp’er voor dit bestaan kiest, heb je ook de minder gunstige kanten te accepteren. Maar bij zwangerschap vind ik de discrepantie wel erg groot. Zwangerschapsverlof betekende voor mij 900 euro per maand, terwijl ik als werknemer volledig doorbetaald zou hebben gekregen.’ Ook Wolters heeft het ontbreken van een financieel vangnet wel als een druk ervaren. ‘Er zijn tijden geweest dat de omzet tegenviel, dan maak je je zorgen. En ik heb een tijd een peperdure arbeidsongeschiktheidsverzekering gehad, maar dat biedt eigenlijk geen oplossing: als je er een tijd uit bent droogt je praktijk gewoon op. Nu ik vijfenzestig ben geworden krijg ik AOW en een maandelijkse uitkering uit mijn pensioenverzekering. Ik moet zeggen dat dat wel rust geeft.’ Maar verplichte werknemersverzekeringen? Daar is Wolters wars van. ‘Nee, als je zo graag vrije jongen wilt zijn, moet dat kunnen. Zulke jongens moet je niet pamperen. En advocaten lossen dat voor zichzelf wel netjes op. Zo niet, dan hebben ze pech.’

Vijfduizend euro
Een open houding tegenover het onbekende lijkt één van de geheimen van blijvend succesvol zzp’en te zijn. Want Wolters, met zijn algemene praktijk, heeft geen last van een terugloop nu hij ouder wordt, en hij kent ook geen collega’s die daar last van hebben. Terwijl Jan de B., de registeraccountant die als interimmer in heel zwaar weer belandde, achteraf zegt dat hij één ding anders had willen doen: ‘Ik had me breder moeten oriënteren, in plaats van alleen maar bezig zijn met dat smalle gebied waar ik goed in ben. Ik ben nooit buiten de gebaande paden getreden.’
   
De veertigjarige interim-advocaat Eva de Graaff ziet nog een belangrijk verschil waarom op den duur de traditionele eenpitter wellicht meer succes heeft dan de interimmer. ‘Als interimmer heb je te maken met een organisatie waaraan je je moet aanpassen. Wellicht dat men bij bedrijven en advocatenkantoren denkt dat oudere mensen dat moeilijker vinden.’ In haar eigen zzp-bestaan ziet De Graaff nog een andere succesfactor: het feit dat ze advocaat is – al kost dat ook wel wat. Je moet je punten halen, aan de eisen voldoen. Grof gerekend kost het me zo’n vijfduizend euro per jaar, aan opleiding, inschrijvingen bij de Orde en beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Maar die kosten kan ik aftrekken. En ik zou het advocaat zijn zeker niet willen loslaten. Niet alleen vanwege de opdrachten van advocatenkantoren. Ook andere opdrachtgevers zien het als een teken van een zekere kwaliteit.’

Zzp’ er in vogelvlucht

Emma Bevers, advocaat
Hoe je zzp’ers ook definieert (zie het artikel hierna, red.), hun aantal neemt toe. Maakten zij in 1996 nog ruim 6 procent (400.000) uit van de werkzame beroepsbevolking, in 2009 vertegenwoordigden zzp’ers bijna 9 procent (600.000) hiervan.  Nu zouden het er afgaande op krantenberichten zo’n 750.000 zijn.
De groep van zzp’ers kenmerkt zich door verscheidenheid. Verhoudingsgewijs zijn mannen, ouderen (45+), autochtonen en hoogopgeleiden vaker zzp’er dan vrouwen, jongeren, allochtonen en laagopgeleiden. Zzp’ers zijn actief in alle sectoren, maar hun aandeel is relatief het grootst in de zakelijke dienstverlening. Het merendeel van alle zzp’ers was eerst in loondienst.
Voor ongeveer 40 procent van de zzp’ers bedraagt de winst uit onderneming hoogstens 10.000 euro per jaar. Een groot aantal zzp’ers heeft ook nog inkomsten uit loon of pensioen, of een werkende partner.
Ontwikkelingen in bijvoorbeeld de post- en vervoerssector hebben een groot aantal ‘schijnzelfstandigen’ voortgebracht. Het gaat daarbij om constructies die slechts tot doel hebben om het arbeidsrecht te omzeilen. Ook zijn er zzp’ers die tegen wil en dank voor zichzelf beginnen, wegens het gebrek aan alternatief.
* Zie ZZP’ers in beeld, SER-advies 10/04, oktober 2010.

Gratis apps voor zzp’ers

 

Trudeke Sillevis Smitt

 

Download artikel als PDF