Verdachten hebben in strafzaken de keuze: zwijgen of praten. Welke strategie levert het meest op? ‘Meestal kun je in het begin van het onderzoek beter je mond houden.’

Door Daphne van Dijk

‘Ik vind dat alles al is gezegd wat er te zeggen valt,’ zei PVV-voorman Geert Wilders in oktober 2010 tegen de Rechtbank Amsterdam. Op advies van zijn toenmalig advocaat Bram Moszkowicz beriep Wilders zich op zijn zwijgrecht. Wilders stond terecht omdat hij moslims zou hebben beledigd door de Koran de islamitische versie van Mein Kampf te noemen.

Het is wellicht het bekendste strafproces waarbij de verdachte zich beriep op zwijgrecht. Het OM eiste vrijspraak omdat Wilders zich niet schuldig zou hebben gemaakt aan aanzetten tot haat en discriminatie (hij had zich slechts uitgelaten over de islam en niet over de moslims). De rechtbank nam de eis over en sprak Wilders in deze zaak vrij. Of zijn zwijgen enig gevolg heeft gehad, is onbekend.

Nemo tenetur prodere se ipsum, niemand kan verplicht of gedwongen worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Het is de basis voor het zwijgrecht. Oorsprong hiervan is het folteren, tot de zeventiende eeuw in Nederland nog een vrij gangbare praktijk. Tegenwoordig vinden we dat elke vorm van marteling om tot een bekentenis te komen, dient te worden uitgebannen, vandaar het zwijgrecht. ‘Het is een van de sterkste machtsmiddelen voor een eerlijk proces. Als je het gevoel hebt dat je geen eerlijk proces krijgt, kun je als verdachte zeggen: “Ik werk niet meer mee.” Dan heeft de politie een probleem,’ stelt advocaat Job Knoester (48) van het Haagse kantoor Knoester & Van der Hut Advocaten.

Wellicht is dat één van de redenen dat advocaten hun cliënten adviseren om vooral te zwijgen, zeker net na een arrestatie. Knoester trekt regelmatig anderhalf uur uit om vooraf aan een politieverhoor met een cliënt te oefenen in zwijgen. ‘Het is cruciaal dat sommige verdachten hun mond houden. Ik neem dan een arsenaal van trucs van rechercheurs door: hoe de rol van good guy
versus de bad guy wordt gespeeld. Welke vragen iemand kan verwachten of dat een verdachte zich vooral moet afsluiten en oogcontact moet vermijden. Ik heb ook weleens een cliënt geadviseerd om tijdens een verhoor continu Arabische liedjes te zingen.’

Aardig

Ook advocaat Babur Beg (51) van het gelijknamige eenmanskantoor in Amsterdam, instrueert zijn cliënten regelmatig te zwijgen. ‘Het zit namelijk in de menselijke aard om verbintenis met anderen te zoeken. Want we willen allemaal aardig gevonden worden. Onbewust vinden we het onbeleefd of zelfs vervelend om niets te zeggen. Probeer je dan maar eens staande te houden tegenover professioneel getrainde rechercheurs die juist willen dat je gaat praten. Al moet ik wel zeggen dat ik cliënten heb gehad die zo’n hekel hadden aan justitie dat zij vasthielden aan hun principes niet met de politie te praten.’

Niet te snel praten dus. Want, zo stellen advocaten, zeker aan het begin van een justitieel onderzoek staan de verdachte en zijn verdediging al 5-0 achter. ‘Ik kan vaak pas mijn strategie bepalen als ik ruim van tevoren het dossier heb gezien en de verdachte heb gesproken. Daar is vaak geen tijd voor en dus is het naïef om je cliënt te adviseren meteen te verklaren,’ zegt raadsman Job Knoester. Advocaat Babur Beg: ‘Je moet het OM niet wijzer maken dan het al is. Ik adviseer altijd pas te verklaren als ik de inhoud van het dossier ken. Ik begrijp dat een verdachte dan onsympathiek of onbetrouwbaar overkomt, maar je kunt beter niets zeggen dan dat bepaalde woorden verkeerd of onvolledig in het politie-proces-verbaal terechtkomen en zich misschien tegen je keren in een latere fase.’

In Nederland hebben we geen plea bargaining , waarbij meewerken of bekennen leidt tot strafvermindering. Een verdachte hoeft niet mee te werken aan het algemeen belang van de staat en is onschuldig tot het tegendeel is bewezen. Of er winst is te behalen voor de verdachte door hetzij in het begin, hetzij tijdens het hele proces te zwijgen, is niet zonder meer te zeggen. Er is een groot grijs gebied. Advocaat Babur Beg noemt het zwijgrecht zelfs een ‘duivels dilemma’. ‘Stel een verdachte bekent meteen, maar later blijkt dat het bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Alsnog zwijgen op de zitting helpt dan niet meer. Aan de andere kant: als er overvloedig bewijs is en de verdachte zwijgt aanvankelijk, kan dat ook een slechte indruk maken. Soms heb je alternatieven die beide even onaantrekkelijk zijn.’

Boeiend

Wellicht dat wetenschappelijk onderzoek tot nieuwe inzichten leidt. Want niet alleen voor juristen, ook voor wetenschappers is het zwijgrecht een boeiend onderwerp. Onlangs is de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) een onderzoek naar het fenomeen gestart. ‘Ik ben namelijk heel benieuwd hoeveel gewicht zwijgen krijgt in relatie tot de bewijsmiddelen,’ vertelt hoogleraar straf- en procesrecht Lonneke Stevens (39). ‘Juist omdat er geen cijfers bekend zijn. Ik hoor steeds vaker van politie en rechters dat verdachten op advies van hun advocaat met grotere regelmaat zwijgen, maar ik kan het niet staven. We zijn momenteel uitspraken aan het verzamelen en analyseren. Ik ben ook benieuwd of we kunnen vaststellen in welke gevallen zwijgen loont en in welke niet.’

Eerder werkte Stevens mee aan het experiment ‘Raadsman bij politieverhoor’ in Rotterdam en Amsterdam. Aanleiding was de Schiedammer parkmoord in juni 2000 waarbij de tienjarige Nienke Kleiss om het leven werd gebracht en haar elfjarige vriendje Maikel werd neergestoken. Verdachte Cees B. had na een aanvankelijke (valse) bekentenis steeds volgehouden onschuldig te zijn, maar zat vier jaar vast voordat duidelijk werd dat hij het niet kon hebben gedaan.

‘Bij het experiment werd bij zware delicten als moord en doodslag de ene keer niet en de andere keer wel een raadsman voorafgaand aan het eerste verhoor geconsulteerd,’ vervolgt Stevens. ‘Er was wel degelijk een verband tussen overleg met de advocaat al in een vroeg stadium en het zwijgen van de verdachte tijdens het politieverhoor. Ik wil het geen kentering noemen, maar het bleek dat verdachten minder spraakzaam waren. Het was een klein experiment met een beperkte doelgroep, maar ik durf de stelling wel aan dat er wat gaande was.’

Met het rapport (november 2010) dat voortvloeide uit het experiment is volgens de hoogleraar niets gedaan. ‘De Europese rechtspraak fietste er doorheen.’ Stevens doelt daarmee op het arrest-Post-Salduz uit 2009 en de daaruit voortvloeiende richtlijnen. Het is een uitspraak van de Hoge Raad die betrekking heeft op het Salduz-arrest en het Panovits-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In deze twee arresten is vastgesteld dat een verdachte vóórdat het eerste politieverhoor begint recht heeft op een advocaat. ‘Ik vermoed dat de toegenomen zwijgzaamheid van verdachten een geleidelijke ontwikkeling is en dat Post-Salduz daar een niet-onbelangrijke rol in speelt,’ aldus Stevens.

Adrenaline

Ook het Openbaar Ministerie ziet een stijgende trend met verdachten die vaker zwijgen. ‘Ik heb de tijd voor het Salduz-arrest nog meegemaakt,’ zegt de Haagse officier van justitie Wouter Bos (45). ‘Het is weleens gebeurd dat een man zijn vriendin had omgebracht, zelf naar het politiebureau ging en vol adrenaline het hele verhaal gedetailleerd uit de doeken deed. Inclusief de voorbedachte rade. Daarna werd de raadsman pas gebeld.’

Zoiets is tegenwoordig ondenkbaar. Bos: ‘Doordat de advocaat nu meteen vanaf het eerste verhoor erbij is, zie je dat verdachten zich meer op het zwijgrecht beroepen. Sterker nog, in grote zaken ga ik er soms al vanuit dat je het moet hebben van tactisch en forensisch bewijs en niet van eenverklaring van een verdachte. Door het zwijgrecht komen zaken minder snel rond en moeten we op een andere manier de waarheid boven water krijgen. Het is een extra uitdaging geworden. Ik wil niet zeggen dat het voor het OM daardoor moeilijker is geworden. Die conclusie kun je niet trekken.’

Blijft de hamvraag in hoeverre zwijgen loont. Dat verdachten aan het begin van een onderzoek zwijgen, dat begrijpt Wouter Bos van het OM nog wel. ‘Al kan het voorarrest er langer door duren. Maar er zijn verdachten tegen wie de bewijzen zich in de loop van het proces huizenhoog opstapelen en die tegen de klippen op blijven ontkennen. Als iemand geen inzicht toont, geen hulp van bijvoorbeeld reclassering accepteert en geen spijt betuigt of verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daden, dan heeft dat invloed op de hoogte van de straf en de strafmodaliteit die het OM eist. We gaan dan eerder voor de maximale beveiliging van de maatschappij.’

Recidive

Ook de rechterlijke macht is niet zo happig op zwijgende verdachten die geen openheid van zaken geven. Al wil de persrechter van de Rechtbank Limburg Joan Holthuis (41) het niet zo hard stellen. Immers, de gevolgen van zwijgen mogen niet zodanig zijn dat het recht op zwijgen wordt ondermijnd. ‘De gevolgen van het zwijgrecht kunnen hem meer in de nuance zitten, zeker bij kleinere zaken,’ stelt Holthuis. ‘Als een verdachte zwijgt bij de politierechter en geen inzicht wil geven en ik de kans op recidive niet kan inschatten, kan dat het verschil maken in de strafmaat: tussen een voorwaardelijke of een onvoorwaardelijke straf. Of tussen een gevangenis- of een taakstraf. Ik kan mij één zaak herinneren waarin zwaarder is gestraft omdat de verdachte bleef zwijgen en daarmee jarenlang de nabestaande in onwetendheid heeft gelaten. Zwijgen is iemands goed recht, maar dat kan dus bepaalde risico’s met zich meebrengen.’

‘Zeker bij zaken waarin de verdachte in voorlopige hechtenis zit, zie je regelmatig dat hij (of zij) het hele traject zijn mond houdt en pas maanden later bij de inhoudelijke zitting wil verklaren. Een verdachte kan dan de indruk wekken dat hij zijn verklaring aan het dossier heeft aangepast. Je loopt het risico dat je dan niet meer wordt geloofd. Wat ook voorkomt, is dat een verdachte consequent zwijgt tot we bij de persoonlijke omstandigheden komen. Hij wil niets zeggen over de gruwelijke details die hem worden verweten, maar wel over hoe zielig hij is dat zijn vrouw hem heeft verlaten. Dan denk ik weleens: hou nu ook maar je mond. Nogmaals: het mag natuurlijk, maar je zou je als verdediging misschien ook kunnen afvragen welke indruk je bij de rechtbank wilt achterlaten.’

Holthuis ziet over het algemeen weinig voordeel in zwijgen: ‘Een strafrechtelijk onderzoek is geen roddel en achterklap; het betekent dat er zware beschuldigingen tegen iemand liggen. Ik kan mij ook geen zaak herinneren waarbij zwijgen direct leidde tot vrijspraak. Mijn boodschap is: als je een sterk alternatief scenario hebt, vertel het dan meteen,’ aldus de persrechter.

Liegen

Het is beslist niet zo dat advocaten altijd maar aandringen op zwijgen. ‘Ik wil het gevoel hebben dat ik een juiste strategie kies,’ vervolgt advocaat Knoester. ‘Meestal is dat zwijgen in het begin, maar soms is het juist wel in het belang van een verdachte om snel te verklaren. Bijvoorbeeld als er sprake is van zelfverdediging en het belangrijk is dat er meteen naar jouw scenario onderzoek wordt gedaan. Al denk ik wel dat de winst met zwijgen nog altijd groter is dan het risico dat je als verdachte loopt door wel te praten. Ik zeg wel altijd tegen mijn cliënten dat ze mij alles en de waarheid moeten vertellen. Dan kan ik het beste advies geven. Waarheidsvinding is niet mijn taak, maar liegen tegen je raadsman is heel onverstandig.’

Advocaat Babur Beg mist eigenlijk nog liegen in de discussie tussen zwijgen en bekennen. ‘Er wordt vaak gesproken van een tegenstelling tussen enerzijds verklaren en anderzijds zwijgen. Ik zie ook een onderscheid tussen liegen en zwijgen. Gedurende een proces wordt er ontzettend veel gelogen. Dat is dom. Ik ben allang blij als verdachten niet tegen mij liegen. Je kunt beter niets zeggen dan onzin verkopen,’ aldus Beg.

Behalve een inhoudelijk argument is er ook nog een praktische reden om verdachten tot stilte te manen: geld. Zeker in de eerste fase van een onderzoek. Raadsman Job Knoester: ‘Ik kan geen tientallen verhoren bijwonen als een cliënt niet genoeg geld heeft om mij te betalen. Bij cliënten met toevoegingen kunnen we die uren beter bewaren tot er een podium bij de rechter is. Natuurlijk strijk ik weleens met mijn hand over mijn hart, maar ik moet wel de huur kunnen blijven betalen.’

Dit artikel verscheen in het meinummer van het Advocatenblad. De hele editie is hier te lezen.