Wanneer is een staking ook alweer (on)rechtmatig?

Door Itse Gerrits, advocaat bij Kennedy Van der Laan in Amsterdam. 

Het stakingsrecht in Nederland wordt genormeerd door het direct werkende artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Dit is door de Hoge Raad uitgemaakt in het NS-arrest (HR 30 mei 1986, NJ 1986, 688). Het artikel bepaalt dat een recht op collectieve actie (een ruimer begrip dan staking) bestaat in gevallen van belangengeschillen.

Wat een belangengeschil precies is, is niet altijd duidelijk, maar het lijkt erom te gaan dat het geschilpunt onderwerp is van onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Hierbij kan gedacht worden aan geschillen over loonstijging, een nieuwe cao of een sociaal plan.[1] Als een oplossing kan worden bereikt via juridische procedures is in principe sprake van een rechtsgeschil wat niet gedekt wordt door artikel 6 lid 4 ESH.[2]

Valt een staking onder de werking van artikel 6 lid 4 ESH, dan is daarmee in beginsel de rechtmatigheid gegeven. Artikel G (herziene) ESH bepaalt echter dat uitzonderingen mogelijk zijn die bij wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.

Voor een tweede uitzondering werd tot voor kort verwezen naar het hiervoor genoemde NS-arrest. Daarin overwoog de Hoge Raad dat een staking die onder 6 lid 4 ESH valt ook onrechtmatig kan zijn als zwaarwegende procedureregels (‘spelregels’) zijn veronachtzaamd. Zo volgde uit het NS-arrest dat een collectieve actie tevoren moest zijn aangezegd. Ook kon een staking alleen als ultimum remedium worden gebruikt (HR 28 januari 2000, JAR 2000, 63 (Sara Lee)).

Mogelijk onder druk van kritiek van onder andere het Europees Comité voor Sociale Rechten (dat waakt over de naleving van het ESH) over de ultimum remedium toets, is de Hoge Raad in 2014 en 2015 van koers gewijzigd. In het Enerco-arrest (ECLI:NL:HR:2014:3077) werden de spelregels opeens niet meer genoemd en in het Amsta-arrest (ECLI:NL:HR:2015:1687) heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de spelregels niet langer een zelfstandige voorwaarde zijn voor rechtmatigheid. De Hoge Raad voegde daar aan toe dat zij nog wel gezichtspunten zijn bij de beoordeling. Een beperking of uitsluiting van het recht op collectieve actie is slechts aan de orde als dat maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is,[3] waarbij alle omstandigheden van het geval meegewogen dienen te worden, waaronder de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het nagestreefde doel en de schade. De spelregels worden zo geïntegreerd in de toetsing onder artikel G ESH.

Het stakingsrecht lijkt hierdoor ruimer te zijn geworden. Zo zag het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:2555) geen aanleiding een staking door de politie te verbieden, ondanks dat deurwaarders zouden afzien van ontruimingen en beslagleggingen. En Connexxion moest een staking van chauffeurs in Almere dulden nu zij onvoldoende had onderbouwd dat verkeerschaos zou volgen (ECLI:NL:RBMNE:2016:1899).

Dat neemt niet weg dat stakingen nog steeds verboden kunnen worden. Zo nam het Hof Amsterdam in ECLI:NL:GHAMS:2016:3472 betrekkelijk eenvoudig aan dat de staking van het grondpersoneel bij KLM tijdens de drukke zomerperiode verboden mocht worden.[4]

Tot een vergelijkbaar oordeel kwam de Rechtbank Zeeland-West-Brabant die een staking van machinisten en conducteurs daags voor kerstavond verbood op grond van de veiligheidssituatie (ECLI:NL:RBZWB:2016:8222).


VOETNOTEN

[1] Zie bijvoorbeeld: Rb. Groningen 27 augustus 2005, ECLI:NL:RBGRO:2005:AU3666 (Sociaal Plan), Rb. Groningen 10 juli 2008, ECLI:NL:RBGRO:2008:BD3691 (nieuwe cao), Hof Den Haag 22 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2555 (nieuwe cao, salarisverhoging).
[2] Zie bijvoorbeeld Vzr. Utrecht 10 mei 2011, JAR 2011/146.
[3] HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2309 (streekvervoer).
[4] In eerste aanleg speelde ook terrorismedreiging een grote rol, maar in hoger beroep heeft het hof het nog (slechts) over het voorkomen van veiligheidsrisico’s. Overigens mocht het cabinepersoneel van KLM wel actievoeren toen de topdrukte voorbij was en de terrorismedreiging was verminderd (Rb. Noord-Holland 8 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9238).