Het islamitisch familierecht heeft in ons rechtsstelsel geen officiële plek. Toch wordt er in rechtszaken steeds vaker rekening mee gehouden.

Door Mariska Jansen

Discussies over de sharia polariseren al snel. Vooral op internet is de toon van het debat scherp. ‘Een gesprek zonder waardeoordeel over de sharia lijkt niet mogelijk – de luiken gaan dicht,’ zegt bijzonder hoogleraar Susan Rutten (56). Zij bekleedt de leerstoel Islamitisch familierecht in een Europese context aan Maastricht University, waar ze ook werkzaam is als universitair hoofddocent privaatrecht. ‘Maar bepaalde onderdelen van de sharia zijn voor veel moslims in Nederland wel realiteit.’

‘De sharia is een geheel van religieuze gedragsnormen,’ legt Frans van der Velden (76), emeritus hoogleraar Islamitisch recht en auteur van Inleiding in de shari’a (2016, Boom juridisch) uit. ‘Islamgeleerden hebben de sharia ontwikkeld na langdurig bestuderen van de Koran, het heilige boek van de islam waarin de openbaringen aan de profeet Mohammed worden beschreven, en de soenna, de geschriften over uitspraken en gedragingen van de profeet en zijn belangrijkste metgezellen.’

Deze gedragsnormen kunnen de status van gebod hebben, zoals de salat, het vijfmaal daagse gebed, van een verbod, zoals het eten van varkensvlees, of van een positief of negatief advies, zoals de besnijdenis van een man die wordt aangeraden, en polygamie die wordt ontraden.

Middeleeuwen

‘Al sinds de vroege middeleeuwen kent de islamitische wereld verschillende rechtsscholen met eigen interpretaties van de sharia die in de loop van tijd hun eigen grondgebied hebben gekregen,’ zegt Van der Velden. ‘Marokko, Tunesië en Algerije volgen voornamelijk de malikitische school, die als de meest dynamische school mag worden gezien. In Turkije, het Nabije Oosten en Egypte geldt doorgaans de hanafitische school, die vaak wat restrictiever is. En Indonesië hangt de shafiitische school aan. Dat de sharia één uniform geheel van rechtsregels zou zijn, is dan ook onjuist, het verschilt naar geloofsrichting, rechtsschool, tijd en plaats.’

Islamitische landen hebben vooral de familierechtelijke regels en het erfrecht van zo’n rechtsschool in hun wetgeving opgenomen. Neem de bruidsgave, een essentieel onderdeel van het islamitisch huwelijk, ook voor moslims in Nederland. Bij de bruidsgave wordt afgesproken dat de man geld en goederen, vaak gouden sieraden, aan de vrouw betaalt. In de praktijk wordt meestal maar een deel van die bruidsgave bij de huwelijkssluiting voldaan en de rest op de lange baan geschoven.

‘Stel nu dat een echtpaar in Egypte trouwt en naar Nederland verhuist,’ zegt Susan Rutten met een verwijzing naar haar oratie eerder dit jaar. ‘Na een paar jaar loopt de relatie spaak. De man laat het huwelijk via een verstotingsprocedure in Egypte beëindigen. Van de Egyptische rechter moet hij een schadevergoeding aan de vrouw betalen, kinderalimentatie en de zogenaamde hadana-vergoeding, een maandelijkse vergoeding voor de verzorging van de kinderen.

Vervolgens vraagt de vrouw bij de rechter in Nederland ook nog om de uitbetaling van het resterende deel van de bruidsgave en om alimentatie naar Nederlands recht. Kan dat? Of wordt het dan dubbelop voor de man?’

Bruidsgave

‘Als advocaat loop je ertegen aan dat het Nederlandse en het islamitische rechtsstelsel niet goed op elkaar zijn afgestemd,’ zegt Rutten. ‘Hoe classificeer je bijvoorbeeld de bruidsgave? Rechters interpreteren die soms als alimentatie, soms als huwelijksvermogensrecht of als opzichzelfstaande vordering.’ Die verschillende classificaties hebben grote gevolgen. Want als de bruidsgave wordt aangemerkt als alimentatie, dan kijken rechters naar draagkracht en behoefte.

‘Het zou goed kunnen dat de bruidsgave dan niet hoeft te worden voldaan omdat de man te weinig draagkracht heeft, of omdat de vrouw haar eigen broek kan ophouden,’ zegt Rutten. ‘En als de rechter bepaalt dat de bruidsgave onder het huwelijksvermogensrecht valt, dan kan het in de gemeenschap van goederen terechtkomen. Maar dat hebben de ex-gehuwden nooit gewild toen ze trouwden.’

‘Advocaten begrijpen doorgaans weinig van exoten als bruidsgave en verstoting,’ is de ervaring van Danusia Bialkowski (1977), sinds 2006 werkzaam als advocaat bij het Amsterdamse kantoor Seegers & Lebouille en gespecialiseerd in islamitisch familierecht.

‘Ik hoor geregeld dat moslimvrouwen tevergeefs naar juridische bijstand zoeken bij het Juridisch Loket of maatschappelijk werk. In sommige gevallen hebben ze zelfs een hele scheiding bij een advocaat doorlopen. Maar ook daar krijgen ze vaak te horen dat hun probleem niet juridisch genoeg is om aan een rechter voor te leggen. Ik denk dat dit niet altijd klopt,’ zegt Bialkowski. ‘Tegen cliënten met wortels in Afghanistan en Pakistan en zelfs Oost-Turkije kun je niet bij voorbaat zeggen: uw probleem hoort niet thuis in de rechtbank.’

Alimentatie

Een andere situatie die in ons recht tot problemen leidt, is de ontbinding van een huwelijk dat officieel geen huwelijk is, zegt Rutten. Stel dat een Somalisch-Nederlandse man en vrouw geen burgerlijk huwelijk sluiten maar wel trouwen in de moskee in het bijzijn van een imam. Ze krijgen kinderen, maar na een paar jaar loopt de relatie stuk, en wordt de vrouw conform het sharia-recht verstoten. Hoe kijken we aan tegen dit islamitische huwelijk en de scheiding? Heeft deze vrouw recht op alimentatie?

‘Juridisch heeft dit huwelijk geen betekenis,’ vertelt Rutten. ‘Er is geen onderhoudsverplichting bij een scheiding, de afstamming van de kinderen is niet geregeld. Maar het kan in het belang van de cliënt zijn om toch te kijken naar de mogelijkheden die het Nederlands rechtsstelsel biedt.

Je zou de relatie kunnen vergelijken met samenwonen. Er is bewust voor elkaar gekozen, er zijn kinderen. Soms worden bepaalde gevolgen van het huwelijk, met een beroep op de redelijkheid, toegekend aan samenwonenden omdat er bepaalde verwachtingen waren. Ik zeg niet dat je dit zonder meer moet toekennen maar het is wel goed om over na te denken.’

Rechters zijn over het algemeen wel bereid de islamitische familierechtelijke context als een juridische kwestie te zien, vindt Bialkowski, zolang je de eis maar op grond van Nederlands recht fundeert. ‘Ze zijn steeds beter geneigd om goed te luisteren naar de gevolgen van een scheiding als er sprake is van een islamitisch huwelijk en zoeken naar mogelijkheden om kwesties als verstoting en bruidsgave binnen de ruimte die het Nederlandse recht biedt een plek te geven.’

Verstoting

In 2010 heeft de rechter in een uitspraak vrouwen die gevangen zitten in een islamitisch huwelijk – het burgerlijk huwelijk is ontbonden maar de man weigert de sharia-procedure van verstoting te volgen, waardoor de vrouw volgens het recht van het land van herkomst nog steeds gehuwd is – de mogelijkheid gegeven eruit te stappen. ‘De verstoting heeft nog geen plek binnen de echtscheidingsprocedure maar kan worden afgedwongen via een kort geding,’ zegt Bialkowski. ‘Het VN-vrouwenverdrag en het EVRM bevatten waarden en normen die ook gelden tussen burgers onderling. Een schending hiervan is een onrechtmatige daad.’

Dan zijn er nog de bruidsgeschenken. Doorgaans krijgt de islamitische bruid goud bij haar huwelijk. De bruiloftsgasten geven deze gouden sieraden heel bewust aan haar. Ze zeggen als het ware: dit is voor jou, jouw appeltje voor de dorst. ‘Maar niemand geeft het met een uitsluitingsclausule. Dus aan het einde van de rit valt het goud toe aan de gemeenschap en moet je dat delen,’ aldus Bialkowski. Dat wordt straks anders bij de inwerkingtreding van de Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen op 1 januari 2018. Dan vallen de bruidsgeschenken, mits bewezen is dat de gever het geschenk alleen voor de bruid bedoelde, niet meer in de gemeenschap en komen ze toe aan de vrouw. ‘Het probleem van het goud is dan opgelost.’

Of een betere afstemming van het Nederlandse rechtssysteem op de sharia-wetgeving een goede zaak is, zal nog wel even een discussie blijven. Er zijn ook kritische juristen die regelmatig de publiciteit opzoeken en waarschuwen voor islamitisch familierecht in de rechtbank. Een van hen is Paul Cliteur (61), hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Universiteit Leiden. Volgens hem moet in Nederland alleen Nederlands recht worden toegepast en mogen er geen concessie worden gedaan aan ‘premoderne rechtsstelsels, zoals de sharia’.

‘Het is op allerlei belangrijke en gevoelige punten onverenigbaar met het moderne en seculiere Nederlandse rechtssysteem. Het heeft andere opvattingen over man-vrouwverhoudingen, het criminaliseert geloofsafval en atheïsme en heeft andere opvattingen over seksueel verkeer tussen gelijkgeslachtelijke partners,’ zegt Cliteur. ‘Als juristen moeten we niet luisteren naar islamgeleerden die met een romantische opvatting over dit recht proberen de deur daarvoor op een kier te zetten. De advocatuur, het Openbaar Ministerie, de rechterlijke macht en de Nederlandse wetgever zouden miljoenen vrouwen over de gehele wereld een dienst bewijzen door een prachtig “nee” te laten horen tegenover de islamisten en diegenen die hen een kans willen geven.’

Dit artikel is ook verschenen in het Advocatenblad van november 2017.