De start van een eigen praktijk of promotie tot partner is een felicitatie waard. Het is ook het moment om na te denken over het pensioen. Ondernemers moeten dat zelf regelen.

Door Mark van der Heijden

Het leven van een werknemer in loondienst is overzichtelijk. Niet alleen ontvangt hij maandelijks zijn loon, aan het einde van zijn loopbaan heeft hij met de pensioenopbouw via zijn werkgever een aanvullende uitkering boven op de AOW-uitkering opgebouwd, respectievelijk de tweede en eerste pijler van het pensioen.

Ondernemers hebben geen werkgever en dus ook niemand die voor hen (mede) de aanvullende uitkering opbouwt. Behoort u tot die groep, bijvoorbeeld als zzp’er, zelfstandig advocaat of partner in een kantoor, dan zult u zelf de aanvullende uitkering moeten opbouwen. Dat kan door lijfrente, wat de derde pijler van het pensioen wordt genoemd, maar ook andere vormen zijn mogelijk.

Plan opstellen

Voordat Marcel Wallage, oprichter van PensioenVizier, ondernemers helpt hieruit een keuze te maken, stelt hij ze eerst een reeks vragen. ‘Waarom wil je het? Weet je hoeveel je nu uitgeeft en hoeveel je dan wilt uitgeven? Heb je al pensioen opgebouwd bij eerdere werkgevers? Wat is de AOW? Dan pas ga ik een plan opstellen.’

Uiteindelijk hebben ondernemers de keuze uit vier manieren om zelf een aanvullend pensioen op te bouwen: lijfrente (in drie smaken), oudedagsreserve, eigen vermogen en de wat onbekende en onbeminde pensioenpolis op naam van de bv. De laatste moet niet verward worden met het pensioen in eigen beheer, een regeling voor dga’s die met ingang van 2017 is afgeschaft.

Startende ondernemers vanuit loondienst hebben nog een vijfde mogelijkheid. Zij kunnen binnen negen maanden na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst beslissen het pensioen van de oude werkgever voort te zetten. De premies zijn weliswaar maximaal tien jaar aftrekbaar van de inkomstenbelasting, maar moeten wel volledig betaald worden door de ex-werknemer. Omdat de regeling bovendien niet flexibel is, wordt deze zelden gebruikt.

Lijfrente

De lijfrente is de meest bekende aanvullende pensioenopbouw. Het grote voordeel hiervan is dat de inleg fiscaal aftrekbaar is, terwijl het opgebouwde vermogen niet belast wordt, zoals dat bij spaargeld of beleggingen wél gebeurt. De inkomstenbelasting betaalt u pas op het moment dat de lijfrente gaat uitkeren. Dit kan een belastingvoordeel opleveren van ongeveer twintig procent.

U snapt dat er wat addertjes onder het gras zitten. Het gespaarde vermogen is niet anders in te zetten dan voor het pensioen. Enkel bij langdurige arbeidsongeschiktheid mag het geld eerder zonder twintig procent revisierente worden opgenomen. Ook mag u niet onbeperkt in de lijfrente storten, maar geldt er een jaarlijks maximum, de jaarruimte: 13,8 procent × (bruto-inkomen – 12.032 euro) of maximaal 12.598 euro. Een eventuele storting in de oudedagsreserve komt ook in mindering op de jaarruimte. Ook is de uitkering vaak niet levenslang, zoals bij een werknemerspensioen verplicht is.

Als gezegd, er zijn drie vormen: verzekerde lijfrente, spaarlijfrente (ook wel banksparen) en de beleggingslijfrente. ‘Bij de verzekerde lijfrente heb je te maken met hogere kosten en het product is vaak minder transparant,’ zegt Jeroen Wolfsen van MoneyWise, een online financieel dienstverlener. ‘Ook zit er bij een verzekeraar altijd een gokelement in. Bij overlijden bijvoorbeeld, houdt de verzekeraar de inleg.’ Dat de inleg wordt belegd – met mogelijk een hoog rendement – en de mogelijkheid om arbeidsongeschiktheid mee te verzekeren, wegen daar niet tegenop. De verzekerde lijfrente wordt nog maar weinig gebruikt.

De spaarlijfrente is juist wel populair, vooral vanwege de lage kosten, en is te zien is als een gewone spaarrekening met de fiscale voordelen van een lijfrente. Wallage: ‘Het mooie daarvan is dat het ingelegde bedrag nooit minder wordt, die zekerheid heb je met beleggen niet. Het wordt echter met de huidige rentestand evenmin veel meer.’ Bij overlijden valt het wel in de erfenis. Ook verzekeraars bieden banksparen aan, vaak met betere rente dan handelsbanken.

De beleggingslijfrente is een product dat wordt aangeboden door vermogensbeheerders als InsingerGilissen. ‘De vraag is bij wie je beter af bent: bij de goedkopere verzekeraars die slechts enkele profielen van beleggen aanbieden: offensief, neutraal of defensief. Of bij de vermogensbeheerders die hogere rendementen beloven tegen vaak hogere kosten,’ zegt Wolfsen.

Onder de beleggingslijfrente vallen ook nieuwe producten als het ZZP Pensioen, Bright Pensioen en het pensioen van Brand New Day. Online af te sluiten, dus snel en makkelijk, maar vaak niet meer dan een indexbelegging, met soms een andere kostenstructuur als een abonnement.

Oudedagsreserve

De oudedagsreserve, vaak nog fiscale oudedagsreserve genoemd, is als een lijfrente op de balans van de zaak. U zet het geld nu apart en betaalt pas belasting bij uitkering. Het gevaar hiervan is dat het aanlokkelijk is het opzijgezette geld nu al te gebruiken. Wallage: ‘Soms kom ik bij een ondernemer die zegt: hier staat mijn pensioen. Ik zie dan een groot geel apparaat staan. Dat kan goed renderen, al denk ik dat het veiliger is om het in fondsen te stoppen.’

De afrekening volgt namelijk onverbiddelijk. ‘Met de oudedagsreserve creëer je een post aan de rechterkant van de balans, maar dat geld moet er aan de linkerkant wel zijn als je stopt met het bedrijf – ook bij overlijden,’ waarschuwt Wallage. ‘Anders zitten de erven met een schuld die echt betaald moet worden aan de Belastingdienst.’

Voor wie die discipline kan opbrengen: jaarlijks mag een keuze gemaakt worden voor de oudedagsreserve. Standaard wordt dan 9,8 procent van de winst op de balans gezet, met een maximum van 8.946 euro.

Pensioenpolis op naam van de bv

De pensioenpolis lijkt op het eerste gezicht nog het meest op de pensioenopbouw door de werkgever. De bv betaalt de premie en er kunnen nabestaandenpensioen en een premievrijstelling bij ziekte aan worden verbonden. Het fiscale maximum is wat hoger dan de jaarruimte.

Desondanks is Wallage er niet dol op. ‘Het geeft de indruk dat het een werknemerspensioen is, maar dat is het niet. Bovendien worden verschillende zaken in één polis gecombineerd en dat maakt het ondoorzichtig. Een premievrijstelling klinkt gunstig, maar kun je beter in een arbeidsongeschiktheidsverzekering regelen. Of neem een aparte overlijdensrisicoverzekering en betaal daar een scherp tarief voor.’

Eigen vermogen

Blijft de vierde variant over: zelf sparen of beleggen. Dat heeft een groot nadeel, elk jaar moet vermogensrendementsheffing betaald worden: 1,2 procent over het vermogen boven 25.000 euro (zonder fiscale partner) dan wel 50.000 euro (met fiscale partner).

De voordelen zijn echter evident: u mag doen en laten met dit geld wat u wil. Wolfsen: ‘Lijfrenten, pensioenen, eigen woningen; het zijn mooie producten maar wel met een fiscaal jasje. Op het moment dat men in Den Haag zegt dat het pensioen naar zeventig gaat, lopen wij daar met onze lijfrenten achteraan.’ Zeker voor wie al tonnen in een lijfrente heeft zitten, zegt Wolfsen: ‘Zorg dat je ook geld kunt gebruiken wanneer je het nodig hebt.’

Het is dan maar een kleine stap verder om ook de eigen zaak als toekomstig pensioen te zien. Dat alleen vindt Wallage onverstandig. ‘Zie het als beleggen. Als ik adviseer al je geld in Philips te investeren, zul je dat geen goed idee vinden. Toch is dat hetzelfde als het in je eigen bedrijf stoppen. Spreid het vermogen dus.’

Wallage benadrukt nog maar eens dat het niet om producten moet gaan, maar om het bereiken van doelen. ‘Zoek de ideale voorziening bij dat doel. Daarom wil ik weten wat iemand nodig heeft om zijn levensstandaard te handhaven; hoeveel vermogen heeft hij al, hoeveel vermogen wil hij en wanneer? Daarna zoek ik eerst de fiscale grenzen op. De fiscus betaalt mee en het is zonde om dat te laten liggen.’

Dit artikel is ook verschenen in het Advocatenblad van november 2017.