pitter3

Het aantal eenpitterskantoren groeit al jaren gestaag. Maakte de toenmalige voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten – Jan Loorbach – zich eind 2012 al zorgen over de kwaliteit van eenpitters, toen vertegenwoordigd in 2.268 eenpersoonskantoren, anno 2018 wordt dezelfde kwaliteitsdiscussie nog altijd gevoerd. Maar dan over inmiddels ruim 3.000 eenpitters. Loorbach zei destijds tegen BNR-radio dat alleenwerkende advocaten vaak de sociale controle van collega’s missen. ‘Als je alles in je eentje moet uitvinden, kan dat makkelijk leiden tot een te laat ontdekte achterblijvende kwaliteit.’ 

Fast forward naar het heden. Met het aantal groeit ook het wantrouwen jegens eenpitters gestaag. De commissie-Van der Meer, die de puntentoekenning in de gefinancierde rechtsbijstand tegen het licht hield, sprak zich eind vorig jaar onomwonden uit tegen de eenpitter. De argwaan geldt met name voor alleen werkende advocaten die zich als generalist profileren. Het ontbreken van collegiale toetsing vormt een bedreiging voor de minimaal te leveren kwaliteit, waarschuwde Van der Meer in navolging van Loorbach. 

Buffelen

‘Vastlopen is inderdaad een risico,’ stelt Paul Logemann (51), advocaat in Harlingen. Hij is in 2007 (opnieuw) beëdigd als advocaat in Leeuwarden, nadat hij een kort uitstapje maakte als gemeenteambtenaar op Terschelling. De overstap naar een groter kantoor ziet Logemann niet zitten, ook al vindt hij het ‘hard buffelen’ als eenpitter met een sociale praktijk. ‘Als eenpitter heb je zelf alles in de hand. Je staat voor wat je vindt. Dat je daarnaast eigen baas bent, maakt het extra boeiend. Ik handel niet alleen zelf de juridische zaken af, maar ook de inhoud van mijn website. Welke advertenties ik zet, welke abonnement ik aanschaf, bepaal ik allemaal zelf.’ 

Die wens om alles zelf te kunnen bepalen, herkent ook ­Eline ­Slappendel (38). Zij vestigde zich in 2016 als zelfstandig advocaat in Gouda en specialiseerde zich in het personen- en familierecht. Juist in dat rechtsgebied hebben mensen volgens haar behoefte aan een persoonsgebonden benadering. 

Slappendel maakte bewust de overstap van een middelgroot kantoor naar een eenmanszaak. ‘Ik wilde mijn eigen koers varen. Ik ging van een eigen secretaresse naar alles zelf doen, ook de postzegels plakken en het kopiëren. Toen merkte ik dat ik ontzettend verwend was met een volledig ingewerkte secretaresse die me dingen uit handen nam.’ Inmiddels heeft ze gemerkt dat ze juist door het hele proces zelf te doen, nog meer in haar dossiers zit. ‘Je bent nog meer op de hoogte omdat je echt het dossier van a tot z kent.’ 

Eenpitter Tatjana Dreiling (56) ging aan het begin van haar carrière in de jaren tachtig aan de slag bij een klein collectief van vier advocaten in Utrecht. Daar kwamen haar idealen niet tot uiting en ze verliet de advocatuur om in 2009 haar weg weer terug te keren. Niet meteen als eenpitter overigens. Ze begon weer op een klein kantoor van vijf advocaten en voelde zich daar wel op haar plek. Toch besloot ze twee jaar geleden helemaal voor zichzelf te beginnen. ‘Ik wilde graag een andere kant uit qua digitalisering en welke zaken er werden aangeschaft en daar kwamen we niet goed uit.’ 

Meegaan met de digitalisering is volgens Dreiling een must. ‘Om goed en slagvaardig te kunnen werken als eenpitter moet je daarin investeren. Zo duur is dat niet, je krijgt er ook wat voor terug. De tijd die je bespaart met bijvoorbeeld een goed kantoorsysteem, vind ik echt renderen. Nota’s heb ik tegenwoordig zo uitgedraaid en ik heb een digitaal boekhoudsysteem. Dat maakt het makkelijk om je administratie op een goede manier vorm te geven.’ 

pitter2

Dreiling voert een brede sociale praktijk. Is ze daarmee een groot voorstander van de advocaat als ‘alleskunner’? Die stelling verdient nuance, aldus Dreiling. In de praktijk is ze gespecialiseerd op de vakgebieden strafrecht, jeugdrecht en personen- en familierecht. ‘Als er dan een vraag komt op het gebied van bijvoorbeeld het arbeidsrecht of bestuursrecht, wil ik wel kijken of ik een toegevoegde waarde kan hebben. Voor mij is de kernvraag: “Denk ik de cliënt te kunnen helpen of niet?” Dingen waar ik geen kaas van heb gegeten, zoals bijvoorbeeld fiscaal recht of intellectueel eigendomsrecht, stuur ik direct door.’ 

Vakgebieden

Logemann heeft bewust de keuze gemaakt zich te specialiseren in drie vakgebieden. ‘Dat houdt het overzichtelijk,’ vindt hij. Nog meer rechtsgebieden combineren, lijkt hem niet te doen. Hij heeft zich gespecialiseerd in het strafrecht, jeugd(straf)recht en doet ook echtscheidingszaken, dit laatste vooral op gemeenschappelijk verzoek. De andere zaken zijn veelal op toevoegingsbasis. 

De sociale advocatuur is belangrijk voor Logemann. ‘Je speelt een rol in een cruciale fase in iemands leven. Je cliënt is vaak kwetsbaar en heeft iemand nodig om voor hem in de bres te springen.’ 

Ook Slappendel houdt focus. Zij is gespecialiseerd in het personen- en familierecht, is mediator en volgde onlangs een specialistische erfrechtopleiding. ‘Het lijkt me ontzettend lastig om je te specialiseren in meerdere rechtsgebieden. Je kunt het allemaal gewoonweg niet meer bijbenen. Eigenlijk is het voor iedere advocaat, eenpitter of niet, onmogelijk een praktijk te hebben op meerdere rechtsgebieden.’ 

Hoe zit dat met Dreiling? Zij is geen voorstander van een nauwe specialisatie-eis voor advocaten, of het nu eenpitters zijn of advocaten binnen een groot kantoor. Wellicht zou zo’n verplichte specialisatie iets zijn voor beginnend advocaten. Professionals die al jaren in de advocatuur werkzaam zijn en ook al in meerdere vakgebieden carrière hebben gemaakt, moet je volgens haar niet gaan ‘bevoogden’. ‘Het is juist leuk om af en toe iets anders te doen en je in iets nieuws te verdiepen. Een uitstapje naar een ander vakgebied is nodig om weer nieuwe dingen op te pikken. Het zorgt ervoor dat je nieuwsgierig, leergierig en scherp blijft. Door over de schutting te kijken bij een ander rechtsgebied, zorg je ervoor dat je je eigen veld verbreedt.’ 

Mocht een advocaat dat soort uitstapjes niet goed aanpakken, dan komt er sowieso geen vervolg, redeneert Dreiling. ‘Als iemand het werk minder goed doet, zal dat niet leiden tot positieve mondtotmondreclame. En dat is essentieel voor een eenpitter. Aldus selecteert het zich zelf uit en ontstaan specialisaties bij wijze van spreken langs de natuurlijke weg. Zo doet ook de markt in deze zijn werk. Het komt al snel uit wanneer iemand veel belooft maar weinig bereikt. 

Bovendien zitten de orde en de Rechtspraak bovenop slechte kwaliteit. Niemand houdt van onzinverhalen.’ 

Als eenpitter ontbreekt het Slappendel wel aan de ‘ins en outs’ van andere specialismen. Ze houdt goed contact met collega’s en overlegt binnen haar eigen specialisme maar ze mist de informatie vanuit andere rechtsgebieden die ze eerder bij wijze van spreken aan de lunchtafel hoorde. ‘Bijvoorbeeld ontwikkelingen zoals de invoering van de nieuwe flexwet in het arbeidsrecht. Aan de lunchtafel hoorde ik dan waar men in de praktijk tegenaan liep. Uiteraard lees ik wel het een en ander in de vakbladen en kan ik de literatuur erop naslaan, maar de praktijkverhalen zijn toch het meest interessant.’ 

Cruciaal

Dat overleggen met collega-advocaten is ook voor Logemann en Dreiling onmisbaar. ‘Cruciaal,’ noemt Logemann het overleg dat hij heeft, ook al is het vaak op informele basis. ‘Als eenpitter ben je snel kwetsbaar en daar kun je je tegen wapenen door contact te onderhouden met collega’s.’ Hij spart vaak met andere collega’s die ook strafzaken doen. ‘In Friesland hebben we een kleine balie. Je kent elkaar hier wel.’ Bang voor mogelijke concurrentie die uit dit soort contacten zou kunnen voortkomen, is hij niet. ‘Je wordt juist een concurrent van jezelf als je niet overlegt. Soms heb je die twijfel: zit ik wel goed? Dan is het juist fijn om te kunnen overleggen. Je moet je als eenpitter niet opsluiten als een kluizenaar, maar openstaan voor wat er om je heen gebeurt.’ 

‘Ik heb een paar collega’s die ik regelmatig bel of app met een vraag. Ook schroom ik niet om de deken een vraag voor te leggen, vooral bij zaken die gevoelig liggen,’ zegt Dreiling hierover. Zij vindt, naast passie voor het werk, een goede samenwerking met collega’s een eis om succesvol solo kantoor te voeren. ‘Je moet nooit denken dat je een domme vraag stelt.’ Zou ze ooit teruggaan naar een grotere maatschap? Waarschijnlijk niet, maar Dreiling houdt de deur op een kier. ‘Ik heb nu de neiging om het niet te doen. Ik heb het op dit moment ideaal voor mezelf geregeld.’ 

Liever de dynamiek van een groot kantoor

Advocaten Jeroen Holthuijsen (41) en Daniël Doolaege (30) weten zeker dat het eenpitterschap voor hen niet is weggelegd. Holthuijsen is werkzaam bij Tripels Advocaten te Maastricht, met zeven advocaten een middelgroot kantoor in Limburg. Doolaege werkt bij Adriaanse van der Weel Advocaten, met 27 advocaten het grootste kantoor van Zeeland. 

pitter1

‘Ik vind de dynamiek van een groot kantoor erg fijn. Het hebben van mensen om je heen. Het is niet zo dat we de jurisprudentie over de gang roepen, maar collega’s stappen makkelijk bij elkaar naar binnen om even te sparren. Je hoort wat andere collega’s aan het doen zijn en je leert veel van elkaar,’ vindt Doolaege, met zijn dertig jaar de jongste arbeidsrechtspecialist in Zeeland.  

Ook civilist Holthuijsen ziet zichzelf niet als eenpitter aan de slag gaan. ‘Toevallig heb ik ooit een keer die mogelijkheid gehad. Ik kreeg een praktijk aangeboden die ik om niet mocht overnemen. Iedereen om me heen zei dat het een kans was waar ik zeker serieus over na moest denken, maar voor mij was het geen optie.’  

Volgens Holthuijsen zou hij ‘heel erg ongelukkig’ worden in zijn eentje. ‘Ik zou de sociale contacten missen en de aanspraak die ik heb met collega’s. Maar ook de meer praktische zaken als het regelen van vervanging bij ziekte of vakantie. En als eenpitter loop je ondernemersrisico. Een groter kantoor kan een tegenslag makkelijker opvangen.’ Hij hoort van kennissen die alleen kantoor voeren, dat het hard werken is. ‘En de stress die daarbij komt kijken… Krijg ik wel genoeg zaken binnen? Haal ik wel genoeg omzet? Worden mijn declaraties wel betaald? Ook door cliënten die failliet gaan, blijven de laatste jaren regelmatig declaraties openstaan.’ 

Volgens Doolaege valt het trouwens wel wat mee met het aantal eenpitters in Nederland. ‘Het merendeel van de advocaten werkt samen in een kantoor.’ Zijn kantoor werkt wel samen met eenpitters of kleinere kantoren. ‘Met name op de dorpen zou een eenpitter die een behapbaar aantal rechtsgebieden hanteert en zijn kennis en vaardigheden op orde heeft, prima van waarde zijn. Voor mij is het van belang dat je de juiste kwaliteit levert. Dan maakt het niet uit of je wel of geen eenpitter bent.’ 

Holthuijsen ziet een verschil in de cliënten die zich melden bij eenpitters. ‘Grotere ondernemers kiezen vaak niet voor eenpitters, dat zijn juist de particulieren en de kleine zelfstandigen. Dat is trouwens nog een reden voor mij om geen eenpitter te willen zijn. Hier op kantoor kan ik een diverse praktijk voeren.’  

Als een advocaat aangeeft dat hij het hele spectrum aan zaken behandelt, dus alles op het gebied van strafrecht, privaatrecht en bestuursrecht, dan twijfelt Holthuijsen aan diens kundigheid. ‘Dat zijn vaak geen uitblinkers. Het is feitelijk onmogelijk om op alle terreinen bij te blijven. Dat moet je ook niet proberen. Daarvoor gaan de ontwikkelingen te snel en verandert er te veel.’ 

Beperking van rechtsgebieden

De commissie-Van der Meer gaf de Raad voor Rechtsbijstand en de NOvA het advies ‘na te denken over maatregelen die eraan bijdragen dat het aantal advocaten dat als eenmanskantoor in het stelsel deelneemt, afneemt’.  

Dat gebeurt inmiddels. De Raad voor Rechtsbijstand staat op het punt de inschrijvingsvoorwaarden aan te passen. Het aantal rechtsgebieden waarvoor een advocaat zich kan inschrijven, wordt beperkt. Bovendien gaat het jaarlijks aantal benodigde opleidingspunten omhoog naar tien. Doel van de maatregelen is verdergaande specialisatie afdwingen.  

De NOvA steunt die gedachte en wil het eigen kwaliteitsbeleid daarop aanpassen. In het nog te bouwen rechtsgebiedenregister wordt het aantal specialisaties waarschijnlijk beperkt tot vier. Ook de NOvA wil jaarlijks tien PO-punten per specialisatie verplicht stellen. Het blijft echter wel mogelijk een algemene praktijk te voeren, hoewel de definitie daarvan nog niet vaststaat. 

Dat de algemene praktijk als formeel rechtsgebied gehandhaafd blijft, is een gevolg van de baliebrede consultatie vorig jaar. Met name eenpitters met een algemene praktijk maakten bezwaar tegen een onhaalbare stapeling van verplichte PO-punten. 

‘Maten nodig om mee te sparren’

Diana de Wolff (58) is advocaat bij Stadhouders Advocaten te Utrecht, een kantoor met in totaal tien advocaten. Daarnaast is zij bijzonder hoogleraar Advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens haar hebben de technische ontwikkelingen het gemakkelijker gemaakt om als eenpitter aan de slag te gaan. ‘Je kunt tegenwoordig je hele bibliotheek elektronisch aanschaffen en er zijn goede telefoondiensten waarvoor je per gesprek betaalt. Het is veel goedkoper geworden om goed bereikbaar te zijn zonder een fysiek kantoren met een eigen receptie en secretaresse.’ 

Essentieel voor eenpitters is het vormen van een goede, sterke alliantie met andere advocaten. ‘Met collega’s overleggen zoals je dat idealiter ook op kantoor doet. Niet alleen voor de waarneming, maar dat praatje met collega’s is o zo belangrijk. Als je dat niet hebt, loop je het risico te vereenzamen en dat heeft een negatief effect op de kwaliteit van de dienstverlening. Voor een goede praktijkvoering heb je een paar maatjes nodig om mee te sparren. Je moet elkaar bij de les houden, zoals dat binnen een kantoor ook gebeurt.’ 

Een specialist willen zijn op meer dan twee of hoogstens drie rechtsgebieden, is volgens De Wolff niet haalbaar. ‘Daarvoor gaan de rechtsontwikkelingen te snel. Je bent een gevaar op de weg als je het vakgebied waarin je opereert niet goed kent. Een fout is zo gemaakt.’ 

Maar fouten worden heus niet alleen gemaakt door eenpitters. ‘Ik verzet mij tegen een negatieve beeldvorming over eenpitters. Er zijn er over wie je je zorgen moet maken. Die geen eenduidig profiel hebben en die alles maar aanpakken zonder zich adequaat toe te rusten. Maar dat zie je soms ook bij wat grotere kantoren.’ Voorwaarden voor een succesvolle eenpitterspraktijk volgens De Wolff? ‘Zorg voor een goede bereikbaarheid. Heb je intervisie op orde. Specialiseer je en ken je beperkingen. Voer structureel overleg en houd contact met andere advocaten.’ 

Dit artikel is ook verschenen in het Advocatenblad van januari 2018. De hele editie is hier te lezen.

Olga Hoekstra

Profiel-pagina