Op 17 januari 2018 behandelde de Rechtbank Assen een zaak tegen een Somalische vrouw die bij haar aanhouding een agente in haar vinger had gebeten. Op zich is zo’n mishandeling een naar strafbaar feit. Maar de beet had een nare nasmaak. In het proces kwam naar voren dat de vrouw hiv-positief is en werd door het Openbaar Ministerie betoogd dat met de beet opzet had bestaan op het infecteren van de agente. Het slachtoffer zou ook nog steeds in onzekerheid verkeren over het antwoord op de vraag of het virus was overgedragen. Tot zeker eind mei 2018 wordt haar bloed in de gaten gehouden en pas dan zou ze weten waar ze aan toe is.

De berichtgeving over de opmerkelijke strafzaak (‘Hiv-positieve vrouw de cel in voor bijten agente in Meppel’, Dagblad van het Noorden, 17 januari 2018)1 deed bij ons de wenkbrauwen fronsen. Natuurlijk, in de rechtspraak is sinds de hiv-arresten van de Hoge Raad (vanaf 2003)2 geaccepteerd dat het opzettelijk infecteren van een ander met hiv een poging zware mishandeling oplevert. Vooruitstrevend aan die rechtspraak was dat het bewust infecteren van een slachtoffer met hiv géén poging doodslag oplevert omdat de kans op daadwerkelijke ontwikkeling van aids als gevolg van de infectie niet als ‘aanmerkelijk’ kan worden gekwantificeerd. In de daaropvolgende hiv-arresten werd deze – op zichzelf emancipatoire – rechtspraak verder uitgebreid door vast te stellen dat van opzet tot infectie nog geen sprake is bij het enkel hebben van seks zonder condoom wetende dat men zelf hiv-positief is. De kans op overdracht van het virus is daarvoor te gering en de minister liet destijds ook weten dat we niet de kant op moeten van het criminaliseren van hiv-positieve mensen.3

Van bewust infecteren is sprake in zaken zoals de Groninger hiv-zaak uit 2005, waarin slachtoffers gedrogeerd werden en geïnjecteerd met hiv-geïnfecteerd bloed.4 De vraag is echter of er ook sprake kan zijn van een opzettelijke poging iemand te infecteren door hem of haar te bijten. Die stelling gaat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, veel te ver. Ze werkt onnodig stigmatiserend en is ze een gevolg van een irrationele angst voor mensen met hiv. Het past dan ook niet dat het Openbaar Ministerie deze stelling te berde heeft gebracht en willens en wetens een onjuiste voorstelling van zaken geeft.

In het begin van de aidsepidemie was de onwetendheid groot. Er waren campagnes voor nodig om de bevolking zich ervan bewust te maken dat het virus niet overgedragen wordt door aanraking of zoenen: belangrijke stappen in het destigmatiseren van mensen met hiv. De reden dat het virus niet door zoenen kan worden overgedragen, is dezelfde als die waarom bijten geen reëel risico op infectie oplevert: hiv wordt niet overgedragen door speeksel. De kans op overdracht door een beet is dan ook a priori nihil. Om die reden schrijft de landelijke richtlijn van het RIVM in dit soort gevallen (laagrisicoaccidenten) ook geen behandeling voor het slachtoffer voor.5 Zo’n behandeling, die alleen bij hoogrisicoaccidenten geïndiceerd is, zou bestaan uit een PEP-kuur van een maand. Deze Post Expositie Profylaxe zorgt ervoor dat eventueel hiv-virus in het lichaam wordt opgeruimd.

Van juridisch belang is verder dat in het geval van een succesvolle behandeling met virusremmende middelen de zogenaamde viral-load onmeetbaar wordt. Is het virus niet meetbaar dan is het ook niet overdraagbaar. Naar wij hebben begrepen, wordt de Somalische verdachte al jaren succesvol behandeld.

Zo bezien bestond er in de casus van de Somalische vrouw dus geen gevaar op infectie, laat staan een ‘aanmerkelijke’ kans op overdracht van het virus. Als de kans op infectie niet aanmerkelijk is, kan de verdachte, in juridische zin, ook geen opzet hebben.

De vraag is dus waarom het Openbaar Ministerie de mythe van hiv-overdracht door speeksel in de rechtszaal herhaalt en zelfs tot dubieus uitgangspunt van een strafzaak maakt. Evenzo onbegrijpelijk is de stelling dat de betreffende agente tot mei zou moeten wachten om zeker te zijn dat ze niet hiv-geïnfecteerd is. Hoewel het voor de agente geen prettige ervaring zal zijn geweest, is er op basis van het incident geen enkele reden tot zorg.

Het is van belang dat strafrechtadvocaten, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak op de hoogte zijn van de feiten over hiv. Het zou dan ook wenselijk zijn in gesprek te gaan met de Hiv Vereniging om misverstanden over hiv weg te nemen en te voorkomen dat door onwetendheid hiv alsnog gecriminaliseerd wordt. Het is 2018, we zouden beter moeten weten.

Door / Sidney Smeets & Pieter Brokx. Smeets is advocaat in Amsterdam. Brokx is directeur van de Hiv Vereniging Nederland.


NOTEN

1] Navraag bij rechtspraak.nl en de betrokken advocaat leerde dat de mondelinge uitspraak van de politierechter niet gepubliceerd is.
2] HIV I [HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, m.nt. YB]; HIV II [HR 24 juni 2003, NJ 2003, 555]; HIV III [HR 18 januari 2005, NJ 2005, 154, m.nt. D.H. De Jong]; HIV IV [HR 20 februari 2007, NJ 2007, 313].
3] Kamerstukken II 2004-2005, 29 800 VI, nr. 157, blz. 5-9.
4] Gerechtshof Arnhem (na verwijzing) 29 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY4618 en 4622.
5] http://www.rivm.nl/Onderwerpen/P/Prikaccidenten.