Zo stonden de straffen althans omschreven in de diverse rechtsregels voor de achttiende eeuw. Om een bekentenis te verkrijgen, was ‘scherpe ondervraging’ – lees de pijnbank – een toegestane methode.

In de praktijk ging het er toch minder barbaars aan toe, blijkt uit Rabauwen, vagebonden en lediggangers (Maklu, 2018), van rechtshistoricus Erik-Jan Broers. In zijn boek schetst hij een genuanceerd beeld van het oude strafrecht.

Rechters konden wrede doodstraffen opleggen, maar in werkelijkheid gebeurde dat zelden. Liever kozen ze voor verbanning uit de regio. De schepenbank van Tilburg veroordeelde in twee eeuwen slechts één man tot radbraking.

Een aantal vagebonden kreeg wel de vuurdood opgelegd, de gangbare straf voor moorddadige brandstichting, maar ook dat verliep symbolisch. Daar ging eerst de strop aan vooraf. Broers beschrijft zaken uit de tijd dat Nederland nog geen uniform Wetboek van Strafrecht kende. Zo schrijft hij over de dominee die er een ‘onbetamelijke conversatie’ op nahield met zijn dienstmeid. Over de bende van Engele Jantje die de rode haan deed kraaien. En wat te denken van Gerrit Spaendonck die terechtstond voor zelfmoord?

Kees_Pijnappels-16-07-14-51a

Kees Pijnappels

Hoofdredacteur

Sinds juni 2016 werk ik voor het Advocatenblad, met plezier. Dat is vooral te danken aan de talrijke ontwikkelingen binnen de advocatuur en …
Profiel-pagina