Partijen die zich beroepen op rechtsgevolgen van door hen gestelde feiten of rechten, ­dragen de bewijslast daarvan, luidt de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechts­vordering (Rv). Dat wordt ook wel samengevat met ‘wie eist bewijst’. Dit artikel is geënt op het idee dat op degene die stelt het bewijs rust, niet op degene die iets ontkent. 

Een wederpartij moet daartegenover voldoende betwisten. Dat kan in de vorm van een ‘nee, want’- verweer; de zuivere betwisting. Maar een bepaald verweer kan ook draaien om een beroep op een zelfstandig rechtsgevolg waardoor de vordering van de eiser tenietgaat (het zogeheten ‘bevrijdend verweer’). Dit verweer is in feite een ‘ja, maar’-verweer. Het houdt een erkenning in van het gestelde, maar voegt een zelfstandig dragend argument in waarom het rechtsgevolg toch niet opgaat. 

Bij een bevrijdend of zelfstandig verweer rust op de verweerder dus de stelplicht en bewijslast van de feiten die nodig zijn om dat rechtsgevolg te kunnen honoreren. Dat betekent dat het beroep verworpen moet worden als de verweerder er niet in slaagt om de feiten en omstandigheden waarop het zelfstandige rechtsgevolg is ­gebaseerd aan te tonen. 

Een voorbeeld van een bevrijdend verweer is ‘Ik heb al betaald’. De verweerder ontkent dan niet dat de gestelde verplichting op hem rustte. Hij doet wel een beroep op het rechtsgevolg ‘tenietgaan van de vordering door betaling’, zodat ingevolge artikel 150 Rv op hem de bewijslast daarvan rust. 

Vuistregel 

Herkennen of er sprake is van een bevrijdend verweer of zuivere betwisting kan in de praktijk lastig zijn. Bij de beantwoording van de vraag op welke partij ter zake van welke feiten de bewijslast rust, is het devies eerst goed te analyseren wie wat stelt. Daarna kan het verweer worden gekwalificeerd aan de hand van de volgende vuistregel. Wederpartijen die een vordering betwisten, maar tegelijkertijd de rechtsverhouding c.q. het uitgangspunt van de eiser erkennen, en in dat kader stellen dat dit voor hen niet (meer) geldt, moeten de feiten en omstandigheden die voor die conclusie nodig zijn, bewijzen. 

Ter illustratie kan de Farmerhoeve-zaak (ECLI:NL:HR:2013:979) dienen. ‘Ik heb niet in strijd met afspraken kortingen verleend,’ voerden de verweerders in deze zaak aan. Verweerders (erfgenamen van de overleden ‘betrokkene 2’) waren door onder andere Farmerhoeve in rechte betrokken vanwege ten onrechte door betrokkene 2 aan derden verleende kortingen op het dekgeld. Betrokkene 2 exploiteerde een sperma-winstation en was in dat kader met Farmerhoeve een exploitatieovereenkomst aangegaan. De verweerders hebben zich tegen die vordering tot terugbetaling van de verleende kortingen verweerd door te stellen dat de betrokkene 2 ‘niet in strijd met afspraken kortingen (heeft) verleend’, en dat voor zover de kortingen wel zijn verleend, ‘zulks in overleg c.q. zelfs in opdracht van Farmerhoeve (is) geschied’. In feite stellen zij dat de verleende kortingen stroken met hetgeen partijen zijn overeengekomen in de exploitatieovereenkomst. 

Dit verweer lijkt op het eerste gezicht een zuivere betwisting omdat de verweerders daarmee de verschuldigdheid van de vordering betwisten. Het hof gaat ook daarvan uit. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof evenwel gecasseerd. Onder verwijzing naar de inhoud van de exploitatieovereenkomst, waarop beide partijen hun stellingen baseren, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit verweer als een bevrijdend verweer moet worden aangemerkt. 

Dat wordt ook duidelijk bij toepassing van de vuistregel. De verweerders ontkennen de verschuldigdheid van de vordering, maar ze erkennen het (hypothetische) uitgangspunt dat het een en ander uit de exploitatieovereenkomst moet blijken. Door dus eerst te analyseren wie wat stelt en vervolgens de vuistregel toe te passen, kan het verweer worden gekwali­ficeerd. Zo kan een van de meest voorkomende valkuilen in het burgerlijk procesrecht worden ­getackeld. 

Door / Sanaz Kousedghi 


Sanaz Kousedghi is cassatie­advocaat bij Alt Kam Boer advocaten in Den Haag. 

Dit artikel is ook verschenen in Advocatenblad 2018-03. De hele editie is hier te lezen.