In de rechtszaak van Michael P. werd afgelopen januari duidelijk dat hij heeft bekend Anne Faber te hebben gedood. Politici zijn ervan overtuigd dat haar dood had kunnen worden voorkomen als de rechter P. in een eerdere strafzaak tbs had opgelegd. De recidivecijfers van tbs-gestelden zijn namelijk veel gunstiger dan veroordeelden die een gevangenisstraf hebben uitgezeten. Omdat P. destijds niet had meegewerkt aan gedragskundig onderzoek kreeg hij alleen een gevangenisstraf van elf jaar opgelegd. Zonder gedragskundig onderzoek wordt het opleggen van tbs voor rechters moeilijk, omdat het onduidelijk is of de verdachte lijdt aan een stoornis. 

Met de rechtszaak van Michael P. barstte de discussie over de tbs-weigeraar in alle hevigheid los. VVD en PvdA wilden het voor de rechter makkelijker maken om bij weigeraars met een langdurige gevangenisstraf na twee jaar alsnog tbs op te kunnen leggen. De Stichting Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds- en Zeden Slachtoffers bepleitte dat in het geval de aard van het misdrijf schreeuwt om een uitleg met betrekking tot de psyche van de verdachte en deze weigert mee te werken aan onderzoek van zijn psyche, de rechter tbs zou moeten opleggen. Psychologe en onderzoeker bij de Forensische Zorgspecialisten Wineke Smid zei in Buitenhof dat bij de behandeling in een tbs-kliniek de stoornis van een delinquent er eigenlijk weinig toe doet. Recidivefactoren zijn veel belangrijker. Die kunnen ook zonder medewerking van de verdachte op basis van risicotaxatie worden vastgesteld. Een hoog risico op recidive zou dan grond voor tbs opleveren. Emeritus-Hoogleraar Hjalmar van Marle schreef in de Volkskrant dat de rechter het begrip ‘stoornis’ vanuit het normatieve juridische denken – is dit gedrag normaal of gestoord – moet bekijken. Hierdoor zou de rechter, ook zonder gedragskundig onderzoek, een stoornis kunnen vaststellen en dus sneller tbs kunnen opleggen. 

Wet forensische zorg

Eind januari stemde de Eerste Kamer in met de Wet forensische zorg. Deze wet zorgt ervoor dat rechters toegang krijgen tot medische gegevens van verdachten van zware misdrijven die gedragskundig onderzoek weigeren. Hierdoor wordt er meer informatie over de psyche van die verdachten verzameld waardoor rechters makkelijker tbs kunnen opleggen. Cruciaal bij deze wet is dat wettelijk wordt gebroken met het medisch beroepsgeheim. Behandelaars worden verplicht gesteld het dossier van de patiënt te overhandigen aan de rechter. Het gevaar van deze wet is dat psychisch gestoorden minder snel naar een behandelaar zullen stappen, wetende dat hun dossier ooit tegen hen gebruikt kan worden. Bovendien is in die oude informatie nooit gekeken naar de relatie met het delict en de kans op herhaling. Dit zal het in de praktijk voor rechters erg lastig maken om deze informatie op waarde te kunnen schatten. Mijn verwachting is dat deze wet het probleem van de tbs-weigeraar niet zal oplossen. 

Groot nadeel van de genoemde voorstellen is dat deze het onderliggende bezwaar van verdachten om onderzoek te weigeren niet oplossen, namelijk dat tbs met verpleging voor geweldsfeiten geen einddatum heeft. Verdachten zijn als de dood zijn om voor onbepaalde duur te worden opgeborgen in een tbs-kliniek. Niet vergeten mag worden dat verdachten op basis van Europese regelgeving het recht hebben om niet mee te hoeven werken aan hun eigen veroordeling en dus ook niet aan gedragskundig onderzoek. Een inperking van het nemo-­teneturbeginsel is niet mogelijk. 

Als voorwaarden voor oplegging van tbs geldt dat sprake moet zijn van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld of een misdrijf dat apart in de wet is vermeld, sprake is een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het delict en de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist. Ook geldt als voorwaarde voor oplegging van tbs dat er twee recente adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, zijn opgemaakt. Als een verdachte besluit om niet mee te werken aan gedragskundig onderzoek, dan geldt de eis van die recent opgemaakte adviezen niet. De andere genoemde eisen zijn wel gewoon van toepassing. Zonder een recent advies wordt het opleggen van tbs voor de rechter moeilijk, omdat het onduidelijk is of de verdachte lijdt aan een psychische stoornis ten tijde van het delict. De rechter kan zich hierover dan wel via een ander advies of rapport laten voorlichten. Maar als dat niet voorhanden is, wordt oplegging van tbs nagenoeg onmogelijk. 

Bevel tot verpleging

Opname en behandeling in een tbs-kliniek is de zwaarste vorm van tbs: tbs met bevel tot verpleging. Daarnaast kent de wet twee lichtere tbs-varianten: de tbs met voorwaarden en tbs met voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Hierbij is de reclassering belast met het toezicht op de terugkeer van de tbs-gestelde in de samenleving. De tbs-kliniek speelt bij de lichtere varianten geen rol meer en tbs-gestelden verblijven hierbij doorgaans in een minder beveiligde forensische kliniek, of wonen begeleid of zelfstandig. Voor geweldloze feiten, zoals diefstal, kan de tbs met verpleging voor maximaal vier jaar worden opgelegd. Voor geweldsdelicten geldt echter een onbepaalde duur. Hierbij is, anders dan bij een gevangenisstraf, geen zicht op een einddatum. Om de kans op een onbepaalde tbs met verpleging te verkleinen, weigeren verdachten daarom gedragskundig onderzoek. 

De gemiddelde behandelduur van tbs met verpleging was vanaf 2005 van vijf jaar opgelopen naar elf jaar in 2013. Dit had tot gevolg dat advocaten hun cliënten adviseerden niet mee te werken aan gedragskundig onderzoek en rechters minder snel tbs oplegden. TBS Nederland stelt dat er de afgelopen jaren door de tbs-sector hard aan is gewerkt om die gemiddelde behandelduur terug te brengen naar 7,2 jaar in 2017. Een kortere behandelduur is volgens hen op dit moment niet mogelijk. Van dit gemiddelde is een groep van 356 tbs-gestelden (totale tbs-populatie: 1460) uitgesloten. Deze groep verblijft momenteel langer dan vijftien jaar in tbs. In werkelijkheid is er dus sprake van een veel langere gemiddelde behandelduur. Voldoende reden voor verdachten niet mee te werken aan gedragskundig onderzoek. In 2016 was dit het geval in bijna de helft van het aantal onderzoeken in het Pieter Baan Centrum. 

Maximumduur

Collega-advocaat Abdel Ytsma en ik stelden in NRC voor om meer houvast aan verdachten te bieden door de rechter de mogelijkheid te geven om de tbs met verpleging voor bepaalde duur, al dan niet in combinatie met een gevangenisstraf, op te leggen. Tbs met verpleging voor onbepaalde duur moet worden afgeschaft om de potentiële weigeraars te motiveren mee te werken aan gedragskundig onderzoek. Aan de hand van de prognose van de gedragsdeskundigen, de strafwaardigheid van de geweldsdelicten, de ernst van de stoornis en de hoogte van het recidivegevaar kan de rechter die termijn dan vaststellen. Na het verstrijken van die termijn zal de behandelcontext blijven bestaan via een behandeling onder begeleiding van de reclassering in het kader van de voorwaardelijke beëindiging. Die behandeling geldt evenwel voor onbepaalde duur, waarbij de rechter periodiek toetst of de tbs beëindigd kan worden. Als iemand gedurende die behandeling opnieuw in de fout gaat of voorwaarden schendt (bijvoorbeeld door drugs of alcohol te gebruiken), kan de rechter de tbs-gestelde terugsturen naar de tbs-kliniek, maar dan voor onbepaalde duur. 

In een reactie stelt TBS Nederland op haar website dat zij het niet wenselijk achten om tbs aan een maximumduur te stellen. Dat zou betekenen dat tbs-gestelden bij wie de behandeling voorspoedig verloopt langer dan nodig behandeld worden. Tbs-gestelden bij wie de behandeling nog niet voldoende effect heeft gehad, zouden terugkeren naar de samenleving met een te grote recidivekans. Daarnaast is het de verwachting dat bij een vaststaande behandelduur een groep tbs-gestelden niet meewerkt aan de behandeling, omdat de behandelprogressie dan losstaat van de behandelduur. Ook Hjalmar van Marle stelt in zijn opiniestuk in de Volkskrant geen voorstander te zijn van een tbs met een maximumduur. Hij stelt dat tbs een strafrechtelijke maatregel van onbepaalde duur is omdat er bewust slachtoffers zijn gevallen. Primaire doelstelling van tbs is de maatschappij te beschermen tegen gevaarlijke personen. Andere kritiek op ons voorstel was dat gedragsdeskundigen niet in staat zouden zijn om op voorhand die maximumduur te bepalen. Hoelang een behandeling precies duurt, is afhankelijk van vele factoren die vooral pas zichtbaar worden tijdens de te volgen behandeling. 

Ytsma en ik beogen met ons voorstel dat een tbs-gestelde op een zo veilig mogelijke wijze terugkeert in de samenleving. Wij willen daarbij absoluut geen afbreuk doen aan het primaire karakter van de maatregel, namelijk het verminderen van het gevaar van de tbs-gestelde voor de samenleving. In ons voorstel wordt tbs met verpleging door de rechter voor een periode van twee jaar opgelegd. Daarna is verlenging van de verpleging mogelijk op basis van het gevaarscriterium tot maximaal de einddatum die door de rechter in het vonnis is opgenomen. Bij tbs-gestelden bij wie de behandeling voorspoedig verloopt, kan tbs met verpleging altijd eerder (onder voorwaarden) worden beëindigd. Na het verstrijken van de termijn zal de behandelcontext via de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van onbepaalde duur blijven bestaan. Als voorwaarde voor tbs-gestelden met een hoge recidivekans kan door de rechter een verblijf in een Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) worden gesteld. Veel van die FPK’s beschikken tegenwoordig over gesloten afdelingen waar langdurig en veilige zorg (longcare-afdelingen) wordt geboden. Als blijkt dat ook dit verblijf onvoldoende beheersbaar is, kan de rechter de tbs-gestelde op basis van het in artikel 38k Sr onder 3 genoemde gevaarscriterium terugsturen naar de tbs-kliniek, maar dan voor onbepaalde duur. Voor de groep tbs-gestelden die mogelijk niet zou willen meewerken aan behandeling is onze verwachting dat door een einddatum in het vooruitzicht te stellen de verdachte gemotiveerd zal zijn om mee te werken aan gedragskundig onderzoek en vervolgens aan zijn behandeling. Dat kan ertoe leiden dat de tbs-gestelde zijn behandeltraject binnen de door de rechter gestelde maximale termijn afrondt. Bij de enkeling die toch weigert en bij wie een hoge kans op recidive aanwezig is, geldt opnieuw een voorwaardelijke beëindiging met als voorwaarde plaatsing in een FPK en bij onvoldoende beheersbaarheid een terugplaatsing in de tbs-kliniek voor onbepaalde duur. 

ISD-maatregel

Het is helemaal niet vreemd om een strafrechtelijke maatregel aan een maximumduur te stellen. Zo kent de wet voor stelselmatige daders de ISD-maatregel. Die maatregel is aan een maximumduur van twee jaar gebonden. Hiervan is het primaire doel de beveiliging van de maatschappij. Ook de maatregelen van tbs met voorwaarden en tbs voor geweldloze delicten zijn aan een maximumduur van respectievelijk negen en vier jaar gebonden. 

Toegegeven moet worden dat maar voor weinig verdachten geldt dat gedragsdeskundigen op voorhand de exacte duur van een behandeling kunnen bepalen. Zij kunnen echter wel op basis van de vastgestelde stoornis en gevaar een reële prognose van die duur geven. Daarbij kan als leidraad dienen dat klinieken tegenwoordig vanaf het begin met de tbs-gestelde een tijdpad uitzetten. In algemene zin geldt daarbij een periode van twee jaar per verlofstap (begeleid, onbegeleid en transmuraal verlof). De meeste behandelingen zullen dan in het kader van tbs met verpleging tussen de zes en acht jaar duren. Veel belangrijker vinden wij dat de rechter op basis van alle relevante factoren als de prognose van de gedragsdeskundigen, de strafwaardigheid van de delicten, de ernst van de stoornis en de hoogte van het recidivegevaar een afgewogen oordeel kan geven over die maximumduur van tbs met verpleging. 

De discussie over de tbs-weigeraar zal de komende maanden onverminderd doorgaan. Via zogenaamde expertmeetings zal minister Dekker worden voorzien van de meningen van experts uit het veld. Nadeel is dat deze experts op basis van de genoemde voorstellen verdeeld zijn over de aanpak van het probleem van de tbs-weigeraar. Enerzijds wordt de oplossing gezien in het makkelijker maken voor de rechter om tbs op te leggen ook als de verdachte gedragskundig onderzoek weigert. Anderzijds willen Ytsma en ik het tbs-systeem voor verdachten zo inrichten dat zij sneller geneigd zullen zijn mee te werken aan gedragskundig onderzoek. Met welk wetsvoorstel minister Dekker uiteindelijk ook zal komen, in de komende maanden zal er door experts, ambtenaren en politici intensief moeten worden samengewerkt om tot een passende en structurele oplossing te komen voor het probleem van de tbs-weigeraar. Gelukkig is hiertoe een aanzet gegeven tijdens de eerste expertmeetings. Het vervolg hierop vindt plaats tijdens een door het Studiecentrum Rechtspleging georganiseerde bijeenkomst op 8 juni. 


Jan-Jesse Lieftink (1979) is een gespecialiseerd advocaat op het gebied van strafrecht en tbs. Hij is tevens bestuurslid van de Vereniging van tbs-advocaten. 

Deze opinie is ook verschenen in Advocatenblad 2018-04. De hele editie is hier te bekijken.