De Rechtbank Midden-­Nederland sprak op 5 juli 2017 een oud-bestuurder van Achmea vrij van valsheid in geschrifte (ECLI:NL:RBMNE:2017:3332). De oud-bestuurder gaf zijn akkoord voor een bonusregeling van 500.000 euro voor een waardevolle werknemer. Die werknemer verhuurde tevens panden aan Achmea en verzocht om fiscale redenen de bonus niet als salaris maar als huurverhoging uit te betalen. Dat leverde de werknemer een aanzienlijk fiscaal voordeel op: in plaats van 52 procent belasting werd zodoende géén belasting betaald over de bonus. De allonges op de huurovereenkomsten waarmee dit werd gerealiseerd, zouden volgens het Openbaar Ministerie opzettelijk (intellectueel) vals zijn opgemaakt in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht (Sr), dat wil zeggen: in strijd met de werkelijkheid. Maar welke werkelijkheid heeft bij deze strafrechtbepaling als uitgangspunt te gelden: de civiele of de fiscale? 

Civiele werkelijkheid

De fiscale werkelijkheid kan afwijken van de civiele werkelijkheid. Dat was in deze zaak ook het geval. De civiele werkelijkheid bestaat in deze zaak op het eerste gezicht uit de (door middel van de allonges) aangepaste huurovereenkomsten. Vervolgens is de vraag of die overeenkomsten kwalificeren als schijnhandelingen. In het civiele recht geldt een overeenkomst als schijnhandeling als twee of meer partijen naar buiten de schijn wekken een bepaalde overeenkomst te hebben gesloten, terwijl zij in het geheim afspreken dat deze naar de uiterlijke schijn gesloten overeenkomst niet zal gelden.[1] De wil van partijen correspondeert dan niet met hun, voor de voor de buitenwacht waarneembare, verklaring (als bedoeld in art. 3:33 Burgerlijk Wetboek, BW). 

Maar daarvan was geen sprake in deze casus. Er veranderde immers daadwerkelijk iets in de onderlinge rechtsverhouding: de huurprijzen werden verhoogd. De overeenkomsten stemmen ook overeen met de wil van partijen. Dat bij de totstandkoming van die wil fiscale redenen hebben meegespeeld, doet daar niet aan af.[2] Een zuiver fiscaal motief maakt een handeling nog geen schijnhandeling.[3] Juist vanwege de fiscale gevolgen was de wil van partijen gericht op het aanpassen van hun huurrelatie, wat overeenstemt met hun verklaring in de vorm van de allonges waar bovendien daadwerkelijk uitvoering aan is gegeven. De civielrechtelijke werkelijkheid mankeerde in deze zaak dus niets. 

Fiscale werkelijkheid

Als de civiele werkelijkheid niets mankeert, is het uitgangspunt dat het fiscale recht de civielrechtelijke werkelijkheid volgt. Dit is slechts anders wanneer – kort gezegd – de fiscale gevolgen van de civielrechtelijke vorm onaanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan. Als dat zo is, dan wordt de civielrechtelijke, juridische werkelijkheid terzijde geschoven om daar een economische voor in de plaats te stellen (substance over form). Aan die laatste werkelijkheid worden vervolgens fiscale gevolgen verbonden. Zo ook ingeval van Achmea: de Belastingdienst ‘ontmaskerde’ de huurbetalingen als loonbetalingen en betrok die als zodanig in de heffing. 

Soms bekijkt het OM de werkelijkheid ook door een fiscale bril. Maar dit vonnis van de Rechtbank ­Midden-Nederland leert dat onder ‘werkelijkheid’ in de zin van artikel 225 Sr de civielrechtelijke werkelijkheid moet worden verstaan. Aan de fiscale (her)interpretatie daarvan komt in dat verband geen zelfstandige betekenis toe. Terecht, want anders zou de strafrechter zich in feite (moeten) bedienen van rechtvindingsmethoden die zijn toegesneden op de bijzondere doelstellingen van het belastingrecht. Die doelstellingen vereisen in fiscalibus soms een wisseltruc van de juridische met de economische werkelijkheid, maar daarvoor is in het kader van artikel 225 Sr dus geen plaats. 


Martin Lambregts was tot deze maand advocaat bij KanPiek Fiscale Advocatuur en is docent aan de Universiteit van Amsterdam. 


NOTEN
[1] Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/153.
[2] Vgl. bijv. NJ 1995, 707 waarin het hof oordeelde dat weliswaar sprake was van een constructie, maar die constructie was naar de daadwerkelijke bedoeling van partijen (dus geen schijnhandeling).
[3] Zie de conclusie van A-G Wattel van 26 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:701, onderdeel 7.