Het is geen pais en vree in de familie van mr. X. Trad hij in 2012 nog namens zijn zus op in een ontruimingszaak, volgden daarna vele procedures tussen zijn zus en hemzelf. Soms trad mr. X in de familiekwesties zelf op als advocaat, dan weer werd hij bijgestaan door mr. G.

In 2014 liet mr. X in samenwerking met een bevriende notaris zijn dementerende moeder een algemene volmacht tekenen. Daarmee begon hij namens zijn moeder een kort geding tegen zijn zus. Mr. G trad in die zaak op als zijn advocaat. Mr. G stelde in die procedure namens mr. X dat de moeder eigenlijk helemaal niet meer in staat was documenten te lezen.

Toen de zus vanwege die dubieuze volmacht een klacht indiende tegen mr. G, trad mr. X voor hém op, en dus tegen zijn eigen zus.

In de procedure tussen de zus en mr. G legt laatstgenoemde een valse factuur over om een hogere proceskostenveroordeling te krijgen. Dat komt mr. G op twee weken schorsing te staan.

De Haagse raad van discipline vindt het geen probleem dat mr. X tot 2012 advocaat van zijn zus was en later tegen haar optrad. Dat mr. X mevrouws broer was vindt de raad ‘niet van doorslaggevend belang’. En er zat ‘geruime tijd’ tussen het ene optreden en het andere (de klacht tegen mr. G dateert uit 2015), terwijl broer en zus intussen veelvuldig procesrechtelijk de degens hadden gekruist. De zus kon ook niet hardmaken dat mr. X informatie uit die ontruimingszaak had gebruikt in de zaak waarin hij als advocaat tégen haar optrad.

Wat mr. X wel wordt aangerekend, is het procederen op die volmacht van zijn moeder (waarvoor zijn advocaat een waarschuwing kreeg). Dat deed hij weliswaar als privé-persoon, maar volgens de raad was de gedraging toch tuchtrechtelijk van belang, omdat er voldoende aanknopingspunten waren met zijn praktijkuitoefening om de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

Hier wreekte zich het door elkaar husselen van de rollen: door dan weer als privé-persoon, dan weer als advocaat op te treden en in deze privé-aangelegenheid zelfs brieven op kantoorpapier te schrijven, was het handelen van mr. X in die kwestie schadelijk voor het vertrouwen in de advocatuur – dus tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Hetzelfde gebeurde ten aanzien van die valse factuur. Mr. G was weliswaar de advocaat die het geval had ingediend, maar (ook) mr. X had vanwege dat door elkaar lopen van zijn hoedanigheden hiermee het aanzien van de advocatuur geschaad.

Mr. X krijgt – mede gezien een niet al te schoon tuchtrechtelijk blazoen – een schorsing van twee weken, maar kan nog in appel.

Wie de regels over belangenverstrengeling nog eens wil inzien: zie hier de nieuwe regel, en hier de formulering van voor 2018 (regel 7 lid 4 en 5).

Trudeke

Trudeke Sillevis Smitt

Freelance redacteur

Profiel-pagina
Advertentie