Erna-Moerdijk

Terwijl op de achtergrond een slagboom van een Amsterdamse brug luidruchtig piept, legt advocaat Erna Moerdijk uit wat haar bezwaren zijn tegen het verbod op samenwerking met niet-advocaten. Ze wandelt vanaf haar kantoor aan de Herengracht naar de Houthavens, nieuwsgierig naar de nieuwe stadswijk die daar gebouwd wordt. De dag ervoor heeft ze met de NOvA gesproken, over een opiniestuk dat ze schreef in het Financieele Dagblad, waarin ze ageerde tegen het samenwerkingsverbod. ‘Ik werk veel voor de vermogensbeheersector, waar verschillende adviseurs nodig zijn. Het leek mij een goed idee om samen met andere dienstverleners een geïntegreerd dienstverleningsmodel voor die sector op te zetten, dus ook met riskmanagement, compliance en economisch specialisten. Daarbij stuitte ik op de verordening die zegt dat advocaten niet op basis van gelijkwaardigheid in een gezamenlijke onderneming met niet-advocaten mogen samenwerken, of althans met partijen die niet aan een vergelijkbaar tuchtrecht onderhevig zijn.’ 

Zoals het een kritisch jurist betaamt, vraagt ze zich af waar die regel voor dient. ‘Ik begrijp dat we hoge eisen moeten stellen aan de deskundigheid en de onafhankelijkheid van advocaten. En ik begrijp ook wel dat de orde er moeite mee heeft als advocaten in loondienst werken voor niet-advocaten. Dat brengt het risico met zich mee dat de advocaat zijn onafhankelijkheid verliest, dus daar moet je voorzichtig mee zijn. Maar zo bijzonder zijn advocaten in dit opzicht nu ook weer niet. Ook bij andere beroepsgroepen zijn deskundigheid en onafhankelijkheid van groot belang. En als er geen tuchtrecht is om die adviseurs op het rechte pad te houden, dan is er altijd nog de tucht van de markt. In het vermogensbeheer is er in ieder geval geen vraag naar ondeskundige adviseurs.’ 

Van de NOvA begreep Moerdijk dat de belemmeringen die advocaten ervaren door het samenwerkingsverbod worden onderzocht. ‘Uit dat onderzoek zou vooralsnog blijken dat de meeste advocaten geen last hebben van dat verbod. Advocaten die willen samenwerken, zijn prima in staat om een constructie op te zetten waarmee ze het samenwerkingsverbod kunnen omzeilen. Ik sta met mijn bezwaren dan ook alleen, voor de orde is er dus naar het zich laat aanzien geen reden om iets te veranderen.’ Moerdijk vindt dat een merkwaardige redenering. ‘Het is alsof je aan Amsterdamse fietsers vraagt of ze bezwaar hebben tegen de verplichting om te stoppen voor rode verkeerslichten. Die fietsers hebben daar geen moeite mee, omdat ze allemaal toch door rood rijden als het hen uitkomt. Als je uit het feit dat fietsers er geen moeite mee hebben de conclusie trekt dat er geen reden is om iets te veranderen, plaats je jezelf buiten de realiteit.’

Vrije beroepsuitoefening

Als Moerdijk naar de behoeften van haar cliënten kijkt, ziet ze wel degelijk een belemmerend effect uitgaan van het samenwerkingsverbod. ‘Klanten in de financiële wereld hebben behoefte aan geïntegreerde dienstverlening. Een organisatorisch samenwerkingsverband is een goede manier om die aan te bieden. De orde verbiedt haar leden in feite om hun klanten op maat te bedienen, zonder dat dat een duidelijke meerwaarde heeft. Staat deze beperking een vrije beroepsuitoefening niet in de weg, dat lijkt me mededingingsrechtelijk ook nog wel een interessant punt.’  

Hoe moet het dan wel volgens haar? ‘Kijk naar Engeland. Daar zegt men, net als in het financiële toezicht, dat iemand die advocaat wil zijn, in principe gereguleerd is. Bij de verschillende smaken advocaten hoort ook verschillende regelgeving die op jou als individu van toepassing is en niet op de organisatie waar je werkt. Wil jij voor een rechtbank procederen, of wil jij gewoon iemand adviseren of een contract opstellen? De Engelse orde kijkt in de eerste plaats naar de diensten die jij verricht.’  

Het leek haar best simpel, dus legde ze de vraag om een samenwerking aan te gaan eerst voor aan de orde, en toen daar een nee op terugkwam, klom ze in de pen. Ze kreeg veel reacties op het verhaal. ‘Veel mensen zijn het met me eens, maar blijkbaar zijn dat niet degenen die voor de orde van belang zijn.’  

Haar plan om te gaan samenwerken, moet ze dus anders inrichten. Het is hard nodig, want ze heeft veel werk dat samenwerking vergt met andere specialisten, vertelt ze op de terugweg, wandelend over een van de Amsterdamse grachten. ‘Ik ken veel klanten ook van binnenuit, omdat ik regelmatig op projectbasis bij ze werk en weet dat in de vermogensbeheersector veel behoefte is aan praktisch juridisch advies.’ 

Ondanks de reactie van de orde op haar stuk in het FD is Moerdijk nog niet van plan zich als advocaat uit te schrijven. ‘Eigenlijk ben ik een goed voorbeeld van een advocaat die geen advocaat zou hoeven zijn. En toch wil ik dat wel blijven. De wereld van de juridische dienstverlening is heel breed en het advocaat-zijn geeft mij een kader. Dat is voor mij een belangrijke reden om advocaat te willen blijven. Maar als de orde op dit punt niet beweegt, zal ik wel in beweging moeten komen.’


Reactie NOvA 

‘De NOvA is op dit moment bezig met een evaluatie van de regelgeving over praktijkrechtspersonen (hoofdstuk 5 van de Voda). We verzamelen onder meer informatie over ervaringen met de regels rondom formele samenwerkingsverbanden. Er zijn nog geen voorlopige conclusies getrokken.  

Bij formele samenwerkingsverbanden zoals genoemd in de verordening gaat het om het delen van rekening en risico of zeggenschap of eind­verantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening met andere advocaten of leden van toegelaten beroepsgroepen. Daarnaast kunnen advocaten ook op andere manieren samenwerken met andere professionals, bijvoorbeeld via een overeenkomst van opdracht. We zien in de praktijk dat advocaten daar gebruik van maken. Het is een onjuiste voorstelling van zaken dat ‘omzeiling’ van de regelgeving uit hoofdstuk 5 van de Voda te noemen.  

Bij de evaluatie is input vanuit de balie noodzakelijk. Om deze reden is onlangs (in een bredere enquête over strategie, innovatie en digitalisering onder advocaten) uitvraag gedaan naar de ervaringen met hoofdstuk 5 van de Voda. De NOvA staat open voor geluiden uit de balie. Daarom zijn wij ook in gesprek getreden met mevrouw Moerdijk. Ook de inbreng van andere advocaten zien we graag tegemoet via info@advocatenorde.nl.’


 

Erna Moerdijk 

2010 – heden Bureau Moerdijk juridische dienstverlening
1998 – 2010 Advocaat ondernemingsrecht Stibbe
1992 – 1998 Paralegal, advocaat Oppenheimer, Wolff & Donnelly (Brussel)
Samenwonend, drie kinderen

Erik-Jan-Bolsius-Jurist-in-communicatie_4

Erik Jan Bolsius

Ik ben staatsrechtelijk afgestudeerd, maar werk al heel mijn carrière als communicatieadviseur, tekstschrijver en eindredacteur. Sinds zes …
Profiel-pagina