De klaagster in deze zaak was een BV. De gemachtigde van klaagster was als operationeel directeur verbonden aan een stichting via een overeenkomst van opdracht. De stichting is al jarenlang een het kantoor van de verweerder in deze tuchtzaak.

In 2014 neemt de gemachtigde van de klaagster contact op met de vaste advocaat van de stichting naar aanleiding van een nieuw dossier. De verweerder verwijst de zaak vanwege de inhoud door naar zijn kantoorgenoot P. Die behandelt de zaak en sluit het dossier op 1 juli op verzoek van de operationeel directeur.

Een dag later neemt de verweerder contact op met de statutair directeur van de stichting, de heer V. De verweerder heeft namelijk van zijn kantoorgenoot P. vernomen dat de operationeel directeur verzocht heeft de uren te laten schrijven en te factureren op een dossier van de stichting. Toen P. dit weigerde, zou de operationeel directeur gezegd hebben dat hij er dan voor zou zorgen dat het kantoor van de verweerder minder zaken zou krijgen van de stichting.

De statutair directeur beëindigt daarna de overeenkomst van opdracht met klaagster, die vervolgens tevergeefs in twee instanties via de rechter een schadevergoeding probeert te claimen. In 2017 dient klaagster een klacht in tegen de verweerder.

Schending geheimhoudingsplicht

Omdat de advocaat lid van de raad van de orde in Oost-Brabant is, neemt de Limburgse deken de klacht in behandeling. Volgens klaagster heeft de advocaat zijn geheimhoudingsplicht geschonden (artikel 10a lid 1 sub e jo 11a Advocatenwet). De bewering over het factureren op een dossier van de stichting is bovendien niet waar, stelt de klaagster.

De verweerder erkent dat hij strikt genomen de geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Maar dat was geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, omdat hij de kernwaarden financiële integriteit, onafhankelijkheid en partijdigheid liet prevaleren.

Belangenafweging

De geheimhoudingsplicht van een advocaat is een fundamenteel beginsel van het beroep, maar is niet absoluut, overweegt de raad. Als de advocaat door zich aan zijn beroepsgeheim te houden in een noodtoestand in de zin van ‘conflict van plichten’ komt te verkeren, dan mag hij onder omstandigheden zijn geheimhoudingsplicht doorbreken. Daar moet dan wel een belangenafweging aan voorafgaan. De advocaat moet zich afvragen of:

a. alles in het werk is gesteld om toestemming tot doorbreking van het geheim te krijgen;

b. het niet doorbreken van het geheim voor een ander of de belanghebbende zelf ernstige schade oplevert;

c.  hij in gewetensnood verkeert door het handhaven van de zwijgplicht;

d. er geen andere weg is dan doorbreking van het geheim om het probleem op te lossen;

e. het vrijwel zeker is dat door de geheimdoorbreking de schade kan worden voorkomen of beperkt;

f.  het geheim zo min mogelijk wordt geschonden. Slechts direct relevante gegevens mogen verstrekt worden.

In deze zaak meent de raad dat aan de ‘voorwaarden’ onder a, b, d en e niet voldaan is. In plaats van bellen met de statutair directeur, had hij wellicht beter eerst met de gemachtigde van de klaagster zelf kunnen bellen. Daarnaast overweegt de raad dat zelfs als de beweerde misstand vast zou komen te staan, het twijfelachtig is of deze ernstig genoeg is om de geheimhoudingsplicht te doorbreken.

Waarschuwing

Volgens de raad heeft de advocaat dus zijn geheimhoudingsplicht geschonden zonder dat daarvoor een goede rechtvaardiging bestaat. De klacht is daarom gegrond en de raad legt een waarschuwing op.

De advocaat in kwestie heeft inmiddels hoger beroep ingesteld. Hij heeft zijn functie in de raad naar aanleiding van de maatregel niet neergelegd, zoals Ruben Alderse Baas,lid van de algemene raad, na een waarschuwing van het Hof van Discipline vorige week wel deed.

Redactie Advocatenblad

Eigen verhalen van het Advocatenblad verschijnen in principe onder naam, zodat lezers kunnen zien wie de auteur is. Voor berichtgeving die …
Profiel-pagina