Vier advocaten van De Haan richtten een stichting op. Doel was financiering te verwerven voor het instellen van schade­claims tegen de NAM en de staat ten behoeve van gedupeerden van de Groningse gaswinning. Voor een laag bedrag konden gedupeerden deelnemen in de stichting. Als een schadevergoeding uitgekeerd zou worden, zouden de advocaten een succesfee krijgen. Dat kwam hen helaas op een berisping van het hof van discipline te staan.1 In plaats van dit soort initiatieven voor laagdrempe­lige rechtshulp af te straffen, zouden deze meer bevorderd moeten worden.

Hoe kwam het hof van discipline eigenlijk tot de berisping van deze advocaten? Naar het oordeel van het hof zijn de advocaten ervoor verantwoordelijk dat het advocaten­kantoor het eigen belang voorop heeft gesteld. Het kantoor heeft niet alleen de claimstichting willen bijstaan tegen commerciële tarieven, maar ook opdrachten van individuen die deelnemen aan die claimstichting aanvaard om zo ook nog een succesfee van deze deelnemers te bedingen. Daarbij is volgens het hof een zodanig hoge succesfee bedongen dat ook de kernwaarde onafhankelijkheid in het gedrang is gekomen, omdat het kantoor een significant belang heeft bij de wijze waarop het geschil tussen zijn cliënten en de wederpartij tot een oplossing wordt gebracht en het daarmee te behalen resultaat.2

De concrete afspraken tussen het kantoor en de individuele deelnemers behelsden de betaling van een bedrag van 85 euro plus btw. Bij het verkrijgen van een schadevergoeding zou daarnaast een honorarium van vijf procent (als zij van begin af aan deelnemer waren) oplopend via 7,5 procent naar tien procent (wanneer zij in een latere fase zijn toegetreden) betaald worden. De schadevergoeding werd door de advocaten geschat in de orde van grootte van 5.000 euro tot 20.000 euro per object. In totaal zou de beloning van de advocaten per gedupeerde dus minimaal 85 euro en maximaal tussen 300 en 1.750 euro per deelnemer bedragen.3

De vraag wanneer een eigen belang van de advocaat als significant moet worden gekwalificeerd, wordt door het hof onder 5.17 beantwoord. Het hof stelt vast dat dit binnen de beroepsgroep zo is vertaald dat het de advocaat niet is toegestaan overeen te komen dat slechts bij het behalen van een bepaald gevolg honorarium in rekening wordt gebracht (het verbod op no cure, no pay), behoudens twee nader omschreven uitzonderingen, namelijk het incassotarief en het experiment letsel- en overlijdensschade. Deze uitleg noopt het hof tot een terughoudende opstelling bij het toelaten van andere uitzonderingen op de binnen de beroepsgroep zowel op 1 januari 2015 (Voda) als op 14 ­februari 2018 (herijkte gedrags­regels) bevestigde hoofdregel.

Het hof wijst erop dat in het hiervoor bedoelde experiment letsel- en overlijdensschade de grenzen zijn gesteld op (een factor van) 2 of 2,5, afhankelijk van of de advocaat de specifieke kosten voor zijn rekening neemt of niet.4

In het geval van De Haan zou de minimale beloning per deelnemer (85 euro) bij het te behalen resultaat worden verhoogd met afgerond mini­maal factor 3,5 (uitgaande van 300 euro) oplopend naar afgerond maximaal factor 20 (uitgaande van 1.750 euro). Daarbij is, zo merkt het hof op, geen rekening gehouden met uitgesproken kostbare objecten waarbij die verschillen nog groter zullen zijn. Het hof beoordeelt die verhouding niet alleen als onredelijk, maar vindt ook dat sprake is van een significant eigen belang voor de advocaat.5

De uitspraak van het hof geeft aanleiding tot herbezinning op de finan­ciële regels die voor advocaten gelden. De vraag rijst wie eigenlijk gebaat is bij zo’n strak keurslijf. Het hof lijkt te wijzen in de richting van de cliënt. Hoewel constructies als deze ook voor de advocaat aantrekkelijk kunnen zijn, is de aanleiding voor het opzetten ervan natuurlijk geweest dat de drempel voor de gedupeerde, met een relatief gering belang en een tegenstander die all the way gaat om aansprakelijkheid te ontlopen, al snel te hoog is indien op basis van reguliere uurtarieven moet worden afgerekend. De veronderstelling is dan ook gerechtvaardigd dat zonder de voortrekkersfunctie die De Haan heeft vervuld en de rol van de stichting daarin, er geen, minder en/‌of later schadevergoeding zou zijn gekomen voor slachtoffers van de aardbevingsschade.

In dit verband is van belang op te merken dat het niet een van de 4.700 cliënten was die de klacht in­diende, maar de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Noord-Nederland.

Het hof lijkt uitsluitend tot zijn oordeel te komen op grond van de vermeende wanverhouding tussen minimale en maximale beloning. Die wanverhouding ontstaat niet in de eerste plaats door de hoogte van de maximale beloning, maar door de geringe omvang van de minimale beloning. Welk cliëntbelang is ermee gediend dat de advocaat wordt verboden te goedkoop te zijn?

Ook het rekenkundige deel van de benadering van het hof is voor kritiek vatbaar. In letsel- en overlijdensschadezaken gaat het doorgaans om aanzienlijk grotere belangen. In de toelichting op artikel 7.10 Voda wordt het voorbeeld gegeven van de advocaat die met zijn cliënt een rekenpercentage overeenkomt van factor 2, 25 procent van het financiële resultaat en een uurtarief van 200 euro. Het uiteindelijk verkregen financiële resultaat is een ton. Het honorarium op basis van het percentage zou dan 25.000 euro bedragen, maar omdat de advocaat dit resultaat heeft bereikt in slechts twintig uur werk, terwijl zijn verdubbelde uurtarief 400 euro is, zal hij niet meer kunnen declareren dan 8.000 euro, vermeerderd met de specifieke kosten en btw.

In absolute getallen (8.000 euro vs. 300 tot 1.750 euro) gaat het in het geval van de Groningse advocaten om aanzienlijk bescheidener beloningen, terwijl deze zich in relatie tot de schadevergoeding in dezelfde orde van grootte bevinden (resp. 8 procent vs. 6 tot 8,75 procent). Toch vinden die bij het hof van discipline geen genade. En dan hebben we nog geen vergelijking gemaakt met de situatie waarin de advocaat uit het voorbeeld geen twintig, maar veertig uur werk nodig zou hebben gehad en diens beloning (anders dan het resultaat) in absolute en relatieve zin zou zijn verdubbeld.

De uitspraak van het hof van discipline komt op het moment dat de minister voor Rechtsbescherming plannen maakt om het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand drastisch te herzien.6 Die plannen strekken onder meer ertoe de gefinancierde rechtsbijstand in civiele zaken af te schaffen.

In het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij kan de orde niet langer volstaan met lijdzaam protest tegen het zoveelste bezuinigingsplan. De orde zal de hand in eigen boezem moeten steken. Initiatieven om mensen laagdrempelige rechtshulp te bieden, worden nu in een symbiose van orde en tuchtrechter afgestraft. Deze uitspraak maakt vooral duidelijk dat de orde in het belang van rechtzoekende en advocaat heldere regels zou moeten stellen voor het gebied buiten de huidige uitzonderingssituaties. Daarmee kunnen onnodige bureaucratie en materiële rechtsongelijkheid worden tegengegaan en kan de toegang tot betaalbare rechtshulp worden bevorderd.

Door Aldert van der Bent, advocaat bij Wybenga advocaten in Rotterdam en advocaat-redactielid van dit blad.

NOTEN

[1] ECLI:NL:TAHVD:2018:178.
[2] R.o. 5.43.
[3] R.o. 5.21 en 5.22.
[4] R.o. 5.23.
[5] R.o. 5.23.
[6] Https://www.nrc.nl/nieuws/2018/09/24/dekker-overweegt-drastische-hervorming-rechtsbijstand-a1758421.