Op 4 september 2018 deed de strafkamer van de Hoge Raad een belangrijke uitspraak over de reikwijdte van art. 591a Wetboek van Strafvordering (Sv). Centrale vraag: kan een op grond van dit artikel ingediend verzoek om compensatie voor de kosten van de raadsman bij een sepot of vrijspraak worden toegewezen als de advocatenkosten niet zijn betaald door de gewezen verdachte zelf, maar door een derde zoals diens werkgever? De gerechtshoven, die in hoogste instantie oordelen over verzoeken ex art. 591a Sv, waren verdeeld over het antwoord op deze vraag. Dit leidde tot rechtsongelijkheid en plaatste de advocaat in een lastig parket als hij zijn cliënt en de derde moest adviseren over de mogelijkheden tot vergoeding van zijn nota’s. De Hoge Raad heeft nu in het belang der wet een uitspraak gedaan: ook door een derde betaalde advocatenkosten kunnen onder omstandigheden worden vergoed op grond van artikel 591a Sv. Nauwkeurige bestudering van de uitspraak van de Hoge Raad leert echter dat de uitspraak weliswaar bepaalde vragen beantwoordt maar ook weer nieuwe vragen oproept.

Wie betaalt?

Ook in het strafrecht komt het regelmatig voor dat niet de cliënt maar een derde instaat voor de kosten van de advocaat. Schoolvoorbeeld is uiteraard de rechtsbijstandsverzekeraar.1 Maar ook andere derden (werkgevers, familieleden, vrienden etc) betalen in de praktijk niet zelden (uiteindelijk) de advocatenrekeningen. Wie er ook betaalt (en waarom), in vrijwel alle gevallen zal de derde in geval van sepot of vrijspraak2 via artikel 591a Sv de rekening bij de Staat willen neerleggen.

Als de advocatenrekeningen op naam van de cliënt zelf staan is in de praktijk zelden sprake van problemen op 591a-vlak.3 Het komt echter regelmatig voor dat de cliënt, de advocaat of de derde (of allemaal) graag wil dat de nota’s op naam van de derde staan in plaats van op naam van de cliënt. Voor bijvoorbeeld een werkgever kan dit om boekhoudkundige of fiscale redenen zijn. De advocaat kan dit graag willen om zijn incassorisico te verkleinen. En de cliënt wil dit meestal omdat hij de nota’s toch niet zal gaan betalen en dan ook niet voor betaling wil kunnen worden aangesproken door de advocaat. Stuk voor stuk zijn dit legitieme redenen om de derde rechtstreeks als debiteur te laten optreden, maar in de praktijk ontstonden hierdoor wel problemen als uiteindelijk een artikel 591a Sv verzoek werd ingediend. Heeft de gewezen verdachte in die gevallen namelijk wel schade geleden?4

De eerste keer dat de Hoge Raad zich over deze problematiek uitliet was in 1973. De Hoge Raad bepaalde toen dat schadevergoeding op grond van artikel 591a Sv niet is uitgesloten als de advocaat is betaald door een rechtsbijstandsverzekeraar.5 Of die mogelijkheid ook bestaat als een andere derde (meestal de werkgever) de advocaat betaalt, werd door de Hoge Raad in dit arrest echter niet besproken. Bij gebreke van een nieuwe vordering tot cassatie in het belang der wet6 moest deze vraag daarom door de lagere rechtspraak worden beantwoord. Maar juist de lagere rechtspraak bleek verschillend over de kwestie te denken.

De vraag die de hoven daarbij in het bijzonder verdeeld hield was of een vergoeding ex artikel 591a Sv ook mogelijk is als de advocatenkosten niet daadwerkelijk ‘ten laste’ van de gewezen verdachte zijn gekomen (dan wel met zekerheid zullen komen). Meest in het oog springende voorbeelden van deze verdeeldheid waren de zaken waarin de politie, in haar hoedanigheid van werkgever, de advocatenrekeningen had betaald van een politieagent die verdacht werd van een strafbaar feit. Op grond van de toepasselijke regelgeving7 heeft de politieagent in zo’n geval recht op een tegemoetkoming in zijn advocatenkosten en is hij ook verplicht een artikel 591a Sv-verzoek in te dienen. Laat de politieagent dit na of wordt het verzoek geheel of gedeeltelijk afgewezen dan is dit echter geen grond voor terugvordering door de politie. Het Gerechtshof Amsterdam8 en het Gerechtshof Arnhem9 waren om die reden van mening dat de advocatenkosten niet daadwerkelijk ‘ten laste’ van de politieagent waren gekomen en wezen de verzoeken af. Het Gerechtshof Den Haag10 en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch11 daarentegen waren van mening dat desalniettemin ook in deze situatie een vergoeding ex artikel 591a Sv mogelijk is.12

Cassatie in belang der wet

Gelet op deze rechtsongelijkheid was onvermijdelijk dat de Hoge Raad zich op enig moment over de kwestie zou moeten buigen. Toch duurt het tot januari 2018 voor de Hoge Raad daar eindelijk de gelegenheid toe krijgt door middel van een door ­advocaat-generaal Vellinga ingediende vordering tot cassatie in het belang der wet.13

In zijn doorwrochte vordering van bijna 35 pagina’s gaat Vellinga in op onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 591a Sv, de eerdere uitspraken van de Hoge Raad over deze bepaling en de proceskostenveroordeling in het civiele recht en het bestuursrecht. Naar aanleiding daarvan concludeert Vellinga dat – met uitzondering van de situatie waarin geprocedeerd is op basis van een toevoeging – een verzoek ex artikel 591a Sv voor toewijzing vatbaar is ongeacht of de gewezen verdachte deze kosten zelf draagt of deze vergoed krijgt van een derde. Een dergelijke uitleg voorkomt ook, aldus Vellinga, dat de rechter een onderzoek moet instellen naar de vraag of de gewezen verdachte de kosten van de raadsman wel zelf draagt.

De Hoge Raad houdt het in zijn uitspraak van 4 september jl.14 aanzienlijk korter dan Advocaat-Generaal Vellinga. Het relevante gedeelte van de uitspraak bestaat feitelijk slechts uit een paragraaf en luidt als volgt:

‘In HR 1 mei 1973, ECLI:NL:HR:1973:​AB3408, NJ 1973/355 is deze bepaling aldus uitgelegd dat zij plaats laat voor het toekennen van een tegemoetkoming in (thans: vergoeding van) de door een gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen indien de gewezen verdachte op grond van een andere rechtsverhouding zo een vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever. Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen.’

Nieuwe vragen

Hoewel de Hoge Raad gesproken heeft, is het maar de vraag of de uitspraak voldoende handvatten zal bieden voor de rechtspraktijk in z’n algemeenheid en de advocatuur in het bijzonder.

Duidelijk is dat ook andere derden dan rechtsbijstandsverzekeraars advocatenkosten kunnen vergoeden zonder dat daarmee noodzakelijkerwijs een latere aanspraak ex artikel 591a Sv op het spel wordt gezet. Ook is duidelijk dat in ieder geval niet van belang is of de kosten voor rechtsbijstand in dat geval (uiteindelijk) ‘ten laste’ van de verdachte zijn gekomen.

Maar daar blijft het voor wat betreft de door de Hoge Raad geschapen duidelijkheid bij. Voor het overige roept de uitspraak vooral weer veel nieuwe vragen op. De Hoge Raad plaatst zijn oordeel namelijk in de sleutel van het bestaan van een ‘vordering’ van de gewezen verdachte tot vergoeding van zijn advocatenkosten op grond van een ‘rechtsverhouding’ met de derde. Ervan uitgaande dat de Hoge Raad met ‘rechtsverhouding’ doelt op een contractuele relatie rijst de vraag of er wat de Hoge Raad betreft vanuit 591a-perspectief alsnog een obstakel is als geen sprake is van zo een rechtsverhouding (bijv. in de familiesfeer). Of die rechtsverhouding is erop zich wel maar voorziet niet in een verplichting tot vergoeding van advocatenkosten waarvan de gewezen verdachte nakoming kan vorderen (bijvoorbeeld een arbeidscontract dat zwijgt over kosten voor rechtsbijstand). En als die vraag bevestigend moet worden beantwoord kan dit obstakel dan weer worden weggenomen als de rechtsverhouding alsnog wordt aangegaan en/of wordt aangevuld met een afdwingbaar recht op vergoeding van de advocatenkosten?

Als inderdaad een rechtsverhouding vereist is maar deze later – bijvoorbeeld eerst na het rijzen van de verdenking – alsnog gecreëerd of aangevuld kan worden valt niet goed in te zien waarom de Hoge Raad op het bestaan hiervan zo de nadruk legt in zijn arrest. Het betreft dan immers een tamelijk gemakkelijk in te vullen vereiste. Ook binnen bijvoorbeeld de familiesfeer kunnen immers zonder al te veel moeite contractuele – i.e. afdwingbare – afspraken worden gemaakt over de vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Hier staat tegenover dat het andere scenario – het is niet mogelijk de rechtsverhouding later alsnog te creëren of aan te vullen – weer tot onbillijke uitkomsten zal leiden. Het lijkt mij zo goed als uit te sluiten dat binnen de gemiddelde familie of vriendenkring voorafgaand aan het rijzen van een verdenking al afspraken zijn gemaakt over de vergoeding van toekomstige kosten voor rechtsbijstand. Het komt mij daarnaast als bepaald onbillijk voor dat als betaling van een advocatennota door een werkgever niet in de weg zou staan aan vergoeding ex artikel 591a Sv, betaling van diezelfde nota door een vriend of kennis ineens zou betekenen dat vergoeding door de Staat niet meer mogelijk is. Maar zelfs in de verhouding werknemer-werkgever kunnen in dit scenario niet te billijken verschillen ontstaan. De werkgever die in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst of cao heeft voorzien in een recht op vergoeding van rechtsbijstandskosten (of een werknemer heeft die zo slim is geweest een dergelijk bepaling af te dwingen) kan dan immers probleemloos de advocatenkosten betalen voor zijn werknemer en deze bij sepot of vrijspraak weer terug te krijgen. Ontbreekt een dergelijke bepaling in de oorspronkelijke afspraken (en dat zal bij veel arbeidscontracten het geval zijn) dan kan de werkgever terugbetaling door de staat mogelijk echter vergeten.

Al met komt mij de lijn van advocaat-­generaal Vellinga – die niet de eis van een (voorafgaande) ‘rechtsverhouding’ en een afdwingbaar recht op vergoeding stelt – als veel billijker en werkbaarder voor de praktijk voor. Het is jammer dat de Hoge Raad deze lijn kennelijk (nog) een brug te ver vond, althans heeft nagelaten ook daar duidelijkheid over te scheppen.

De toekomst zal moeten uitwijzen welk scenario de voorkeur van de lagere rechtspraak heeft. In het licht van de verdeeldheid tussen de gerechtshoven in het verleden lijkt mij echter onvermijdelijk dat de Hoge Raad zich over een aantal jaren wederom in het belang der wet over het 591a-vraagstuk zal moeten buigen.

Door Thom Dieben, advocaat bij JahaeRaymakers in Amsterdam.

NOTEN

[01] Deze verschijningsvorm lijkt in de praktijk echter af te nemen. Veel rechtsbijstands­verzekeraars sluiten tegenwoordig ofwel strafzaken geheel uit van dekking dan wel wordt alleen gedekt als geen sprake is van opzettelijk handelen. Dit laatste betekent dat alleen culpoze delicten onder de dekking vallen.

[02] Het is eigenlijk niet juist om alleen te spreken van ‘vrijgesproken’ verdachten. Ook de verdachte die wordt ontslagen van alle rechtsvervolging (OVAR) kan immers een beroep doen op artikel 591a Sv.

[03] Zelfs in die situatie kan echter naast het net worden gevist. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARN:2007:BC6135 (declaraties alleen voor de vorm gericht aan de gewezen verdachte (politieagent) maar feitelijk betaald door een derde (de vakbond). Het hof wees het 591a-verzoek daarom af.

[04] In de praktijk werd soms geprobeerd dit probleem te omzeilen door (ingewikkelde) betalingsafspraken tussen de derde en de verdachte. Bijvoorbeeld een afspraak waarin de derde het geld leent aan de verdachte dan wel de nota’s bij wijze van voorschot voor de verdachte voldoet. De nota’s kunnen dan op naam van de verdachte blijven staan. Deze afspraken lossen echter het incassorisico voor de advocaat niet op en leiden soms ook tot boekhoudkundige problemen voor de derde, bijvoorbeeld als het om een onderneming gaat (die in dat geval immers een lening in de boeken heeft staan in plaats van kosten die mogelijk kunnen worden afgetrokken van de winst). Bovendien wil de verdachte vaak helemaal niet terugbetalen hetgeen bij een lening en voorschot nu juist wel de bedoeling is. Of de verdachte wil wel terugbetalen maar alleen bij een vrijspraak. Om in al deze wensen te voorzien werden de tussen de verdachte en de derde gemaakte afspraken soms zo kunstmatig dat ze door de rechter in het kader van de 591a-procedure terzijde werden gesteld (zie bijv. ECLI:NL:GHARN:2011:BR5332).

[05] HR 1 mei 1973, NJ 1973/355. De Hoge Raad leek daarmee terug te komen op HR 21 februari 1967, NJ 1967/444 waarin was beslist dat art. 591a Sv juist niet van toepassing is in het geval van een rechtsbijstandsverzekering. Volgens procureur-generaal Langemeijer was echter sprake van een belangrijk verschil tussen beide zaken: In de zaak uit 1967 ging het om een verzekeraar tegen autoschade die onverplicht rechtsbijstand in de strafzaak had verleend. In de zaak uit 1973 daarentegen ‘betrof het een verplichting van de procesverzekeraar, die in aanmerking kwam om door het verlenen van rechtsbijstand vervuld te worden. (zie de voorlaatste paragraaf van de vordering tot cassatie in het belang der wet behorende bij HR 1 mei 1973, NJ 1973/35). Dit onderscheid tussen verplichting of niet lijkt, zoals hierna uiteengezet zal worden, ook nu nog relevant voor de Hoge Raad.

[06] Tegen een beschikking van de rechtbank op een verzoek ex art. 591a Sv kan op de voet van het van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 91 Sv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof. Tegen de beschikking van het gerechtshof staat echter geen verder gewoon rechtsmiddel meer open. De Hoge Raad kan zich dus alleen over 591a gerelateerde vraagstukken uitlaten in het kader van een vordering tot cassatie in het belang der wet (vgl. art. 78 RO jo. art. 456 Sv).

[07] Zie uitgebreid over dit juridisch kader advocaat-generaal Vellinga in ECLI:NL:PHR:2018:930, punt 18-23.

[08] ECLI:NL:GHAMS:2017:2802.

[09] ECLI:NL:GHARN:2007:BC6135 en ECLI:NL:GHARN:2009:BK1653.

[10] ECLI:NL:GHDHA:2017:4020.

[11] ECLI:NL:GHSHE:2014:4602.

[12] De omstandigheid dat niet was voldaan aan dit ‘ten laste’-vereiste was vervolgens doorslaggevend om het verzoek af te wijzen. Vgl. ook bijv. ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4322 en ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5828.

[13] ECLI:NL:PHR:2018:930. De vordering richtte zich tegen de reeds hiervoor besproken beschikking van het Gerechtshof Amsterdam (zie supra voetnoot 6).

[14] ECLI:NL:HR:2018:1428.