Met de recente ontwikkelingen rondom het Wetsvoorstel herziening partneralimentatie zit er weer beweging in het aanpassen van de alimentatiewetgeving. Dat is positief. Het wordt tijd dat er definitief duidelijkheid komt over de al lang geleden voorgestelde wetswijzigingen rondom partneralimentatie.

De indiening van het initiatiefwetsvoorstel herziening partneralimentatie dateert alweer van juni 2015. Dit initiële voorstel is met de nodige kritiek ontvangen, onder andere door de Raad van State(Kamerstukken II 2015/16, 34231, nr. 4). De initiatiefnemers hebben zich deze kritiek aangetrokken en met de in maart 2017 ingediende nota van wijziging het in 2015 ingediende Wetsvoorstel herziening partneralimentatie ingrijpend gewijzigd. Na ruim een jaar werd op 11 juni 2018 de Tweede nota van wijzigingen gepubliceerd. Op 27 juni 2018 is dit huidige wetsvoorstel voor het eerst plenair behandeld in de Tweede Kamer. Op 26 september 2018 volgde een Derde nota van wijziging (Kamerstukken 2018/19, 34231, nr. 13). De plannen worden concreter en het is hoog tijd om er een spreekwoordelijke klap op te geven. Zoals het er nu naar uit ziet, vindt er op donderdag 6 december 2018 opnieuw een plenair debat in de Tweede Kamer plaats over het wetsvoorstel. Het zou goed zijn als daarna vrij snel duidelijk wordt of het voorstel door de Tweede Kamer aangenomen wordt en door kan naar de Eerste Kamer.

Veranderingen

Het (gewijzigde) wetsvoorstel beperkt zich tot de duur van de partneralimentatie. Grondslag en rekenmethodiek blijven hetzelfde. Alimentatieafspraken bij huwelijkse voorwaarden blijven nietig.

Voor de duur van de alimentatieverplichting bepaalt 1:157 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) nu nog dat, als de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar, die begint op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het wetsvoorstel regelt dat de termijn waarbinnen partneralimentatie betaald moet worden de helft van de duur van het huwelijk bedraagt, met een maximum van vijf jaar.

Hierop worden drie wettelijke uitzonderingen gemaakt. De eerste uitzondering geldt voor langdurige huwelijken (langer dan vijftien jaar), waarbij de alimentatiegerechtigde ten hoogste tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd. In dat geval geldt dat de alimentatieverplichting niet eerder eindigt dan op het tijdstip, waarop de alimentatiegerechtigde de AOW-leeftijd bereikt. De termijn kan dan dus tot maximaal tien jaar worden opgerekt.

De tweede uitzondering geldt in de situatie waarin de uit het huwelijk geboren kinderen de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt. De alimentatieverplichting loopt dan door totdat het jongste kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. De maximale alimentatietermijn kan dan dus uitkomen op twaalf jaar.

Met de Derde Nota van wijziging is de derde uitzondering geïntroduceerd. Alimentatiegerechtigden van vijftig jaar en ouder die langer dan vijftien jaar zijn getrouwd, hebben recht op tien jaar alimentatie. Deze uitzondering vervalt echter na zeven jaar.

Mocht op een echtpaar meerdere uitzonderingen van toepassing zijn dan geldt de langste termijn.

Voor zogenaamde zogeheten schrijnende gevallen is een hardheidsclausule in het wetsvoorstel opgenomen. Deze clausule houdt in dat als de beëindiging van de alimentatie als gevolg van het verstrijken van de termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving hiervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de alimentatiegerechtigde, de rechter op diens verzoek een nadere termijn kan vaststellen. Net zoals nu al het geval is, moet een dergelijk verzoek worden ingediend voordat drie maanden na beëindiging van alimentatie zijn verstreken. De formulering van de hardheidsclausule komt ook voor het overige overeen met het huidige artikel 1:157 lid 5 BW. De initiatiefnemers geven aan dat de exacte invulling van de hardheidsclausule aan de rechtspraak is. Zij voelen terughoudendheid de hardheidsclausule nader te specificeren. De exacte toepassing wil men aan de rechterlijke macht overlaten. Verwacht wordt dat de huidige rechtspraak over artikel 1:157 lid 5 BW van kracht blijft. Op 26 september 2018 is er een amendement ingediend door SP-Kamerlid Michiel van Nispen dat een nieuw toetsingskader voor artikel 1:157 lid 5 BW voorstelt. Dat moet ertoe leiden dat een beroep op de hardheidsclausule sneller wordt gehonoreerd.

Beoogd wordt om het wetsvoorstel in te laten gaan op 1 januari 2020. De verkorting van de duur van de partneralimentatie zal gaan gelden voor de ‘nieuwe gevallen’. Voor per 1 januari 2020 al bestaande alimentatieverplichtingen blijft de huidige maximale duur gelden.

Het wetsvoorstel in zijn huidige vorm wordt over het algemeen positief ontvangen als passend bij het huidige tijdsgewricht. De duidelijkheid over de maximale termijn en de ruimte voor het maatwerk via de hardheidsclausule worden gewaardeerd. Er lijkt ook in de Tweede Kamer voldoende steun voor het voorstel te zijn. Met de Derde Nota van wijziging wordt de wens van sommige Kamerleden vervuld om de positie van de alimentatiegerechtigde van vijftig jaar en ouder te verbeteren. Mogelijk wordt met het amendement van Van Nispen verder tegemoetgekomen aan bezwaren vanuit de Tweede Kamer over een mogelijk al te strikt toetsingskader voor de hardheidsclausule.

Voortvarendheid

Het is belangrijk dat het Wetsvoorstel herziening partneralimentatie nu met voortvarendheid wordt behandeld en aangenomen in de Tweede Kamer en vervolgens mogelijk de Eerste Kamer. Een alimentatieduur van twaalf jaar is niet meer van deze tijd.

Het komt al geregeld voor dat de rechter de te betalen alimentatie na verloop van tijd op nihil stelt of, sterker nog, bepaalt dat de alimentatieverplichting is geëindigd. Meestal gebeurt dat dan op grond van het oordeel dat de alimentatiegerechtigde enige tijd na het huwelijk in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van eerder dit jaar (HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313 en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695), waarin de Hoge Raad heeft beslist dat enkel tijdsverloop de huwelijksgerelateerde behoefte niet doet verbleken, is de eigen verdiencapaciteit van de alimentatiegerechtigde veelal ook de enige grond om te komen tot een nihilstelling van de alimentatieverplichting of een einde van de verplichting (Zie ook hierover mr. A.N. Labohm, ‘Wet herziening partneralimentatie: de tweede nota van wijziging van 11 juni 2018’, EB 2018/76).

Als een lange alimentatietermijn niet meer past bij dit tijdsgewricht, dan past de aldus beperkte mogelijkheid voor de alimentatiegerechtigde om te komen tot een nihilstelling/einde van de alimentatieverplichting daar ook niet bij. De huidige stand van de jurisprudentie over dit onderwerp maakt daarom een snelle invoer van het wetsvoorstel noodzakelijk.

Los van de inhoud, denk ik ook dat er in de praktijk behoefte is aan duidelijkheid over verkorting van de alimentatietermijn. Partneralimentatie, en dan in het bijzonder de duur van de verplichting, is een onderwerp dat altijd op veel media-aandacht kan rekenen. Menig cliënt, zowel alimentatieplichtigen als -alimentatiegerechtigden, stelt er vragen over en put er hoop uit of juist niet. Ook in de jurisprudentie is al een aantal keer (tevergeefs) geprobeerd te anticiperen op het wetsvoorstel. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de beschikking van het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden van 30 augustus 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:6939) of de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 18 januari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2018:1597).

De voorgestelde wijzigingen zijn, hoewel ingrijpend, niet ingewikkeld. Dat maakt dat een snelle behandeling mogelijk moet zijn.

Al in 2015 is met veel bombarie in de media gebracht dat regels rondom partneralimentatie zouden wijzigen. Meer dan drie jaar later ligt er een duidelijk wetsvoorstel dat veelal positief is ontvangen. Mijn oproep aan de initiatiefnemers en de Tweede Kamer is om nu door te pakken. De praktijk heeft behoefte aan duidelijkheid en aan wetgeving die passend is bij deze tijd.

Christiane Verfuurden is advocaat bij Schakenraad Advocaten in Eindhoven en advocaat-redactielid van dit blad.