Bart2
Bart van Tongeren Beeld door: Sander Foederer

De bezuinigingen op gefinancierde rechtsbijstand, de stagnatie van KEI, de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Complexe dossiers die kenmerkend zijn voor de zes jaar dat Bart van Tongeren (55) lid was van de algemene raad, waarvan de laatste drie jaar als algemeen deken. Wat hield hem veerkrachtig? ‘Allereerst uiteraard een stabiel thuisfront. Bovendien heb ik karakterologisch ook de rust om goed na te denken en vooral strategisch te denken. Je moet enorm uitkijken om niet in de reactie te zitten. Primaire reacties zijn soms niet de beste.’ 

Er zijn volgens Van Tongeren geen momenten geweest waarop het dekenaat hem tegenviel. ‘Ik heb wel makkelijke en moeilijke momenten gehad.’ Met name het dossier van de gefinancierde rechtsbijstand vond hij ingrijpend, zegt hij. ‘Dan ga je niet fluitend naar het bureau van de Nederlandse orde van advocaten toe. Maar wel diep gemotiveerd om er iets aan te doen, tot en met protestacties op het Binnenhof aan toe. Het is niet mijn corebusiness om in toga met megafoon en spandoeken te lopen. Het past ook niet bij mijn persoonlijkheid. Het feit dat ik het doe, geeft wel aan hoe serieus het is.’

Wat Van Tongeren vooral mist bij de huidige minister voor Rechtsbescherming, is respect voor de functie en de positie van de advocatuur in de rechtsstaat. ‘Het lijkt alsof het ministerie van Justitie en Veiligheid erop gericht is de advocatuur af te breken, terwijl de advocatuur juist van groot belang is voor de balans tussen OM, wetgever, rechter en de rechtzoekende. Dat die grondgedachte er niet meer lijkt te zijn, daar kan ik me echt boos over maken. Er wordt te makkelijk gezegd dat burgers hun problemen best zelf kunnen oplossen. Dat kan lang niet iedereen.’ 

Minister Sander Dekker (Rechts­bescherming) lanceerde begin november een omvangrijk plan om het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand te herzien. Wat vindt u van de manier waarop dit dossier zich ontwikkelt? 

‘Uit diverse rapporten: Wolfsen, Van der Meer, Barkhuysen, is gebleken dat het stelsel best goed functioneert. Het heeft wel aanpassingen nodig. Maar wat de minister op dit moment doet, is dat hij eigenlijk mensen weghoudt van goede rechtsbijstand. 

Neem het plan om een extra drempel in te bouwen door middel van triage. Zestig procent van de gefinancierde rechtsbijstand komt vanuit de overheid, of wordt door de overheid veroorzaakt. Diezelfde overheid gaat een instituut bouwen, onafhankelijk, maar wel gefinancierd vanuit de overheid, dat gaat bepalen of iemand wel of niet kan procederen. 

Ik vind ook dat de plannen van de minister onrecht doen aan het vele werk dat binnen de sociale advocatuur wordt gedaan. In een actualiteitenprogramma heeft de minister gezegd dat je als rechtzoekende naar een advocaat kunt gaan, maar dat het probleem met een paar telefoontjes vaak eenvoudiger en sneller is opgelost. Daarmee vind ik dat hij de advocatuur volledig onterecht in een hoek zet. Juist advocaten plegen die telefoontjes om mensen bij te staan en om te voorkomen dat ze in een lange procedure raken en jaren moeten wachten op een vonnis.’ 

U geeft aan dat de NOvA allerlei alternatieve voorstellen heeft gedaan, maar dat daar niet op wordt ingegaan. Hoe is nu de verhouding met het ministerie? 

‘Nou, die is niet heel warm. We zijn ons op dit moment ook wel aan het beraden hoe we verder moeten gaan op dit dossier. Want niet alleen voor de NOvA als organisatie is de maat vol. Ook voor de advocaten die iedere dag de benen uit het lijf lopen om hun werk te doen. We zijn al lang de grens overschreden van wat nog kan. Ik hoor nu te veel advocaten zeggen: het wordt liefdadigheidswerk, ik kan het niet meer financieren, ik moet hiermee stoppen. De afbraak is al gaande voordat er een oplossing, in welke vorm ook, is bereikt. Dat vind ik zorgelijk.’ 

Aan het eind van het jaar draagt Van Tongeren het dekenschap over aan Johan Rijlaarsdam. Vervolgens gaat hij enkele maanden met sabbatical. Dan zal hij zich ook bezinnen op zijn volgende stap. Waar bent u, terugkijkend op uw dekenschap, het meest trots op? 

‘Ik heb het proces rondom de nieuwe gedragsregels erg inspirerend gevonden, met name omdat zo veel advocaten, maar ook niet-advocaten eraan hebben bijgedragen. Bij mij overheerst een gevoel van trots dat we met elkaar in staat zijn geweest om na vijfentwintig jaar de gedragsregels aan te passen aan de huidige opvattingen van de tuchtrechter. Eén van de belangrijkste veranderingen is dat we afscheid hebben genomen van het begrip “confraternele correspondentie”. Ook met betrekking tot het ronselen van cliënten hebben we de regel aangepast. Het belang van de rechtzoekende staat altijd voorop. En alleen een rechtzoekende zelf mag een verzoek doen voor een andere advocaat. Dat zijn een aantal punten die eruit springen.’ 

Over het provisieverbod bestaat onduidelijkheid. Kunt u kort en goed uitleggen wat dat inhoudt? 

‘Ik stoor me eraan dat in de media is geframed dat er een provisieverbod is. Het gaat om provisieregels. Eigenlijk is de stelregel, ook bij gedragsregel 2 lid 3, dat je voortdurend transparant moet zijn naar je cliënt. De cliënt moet weten hoe zijn advocaat aan de zaak is gekomen, of hij zich daarvoor heeft laten betalen, zo ja, of dat voor een redelijk bedrag was en of de ­cliënt dat doorberekend krijgt. 

Advocaten snappen wel dat je niet zomaar tien of twintig procent kunt vragen als je een zaak doorverwijst. Bij de deelname aan de koppelsites gaat het erom dat een advocaat niet afhankelijk is van één verwijzer en dat het belang van de cliënt altijd leidend is.’ 

Bart van Tongeren
Beeld door: Sander Foederer

Sinds enkele jaren is ook de modernisering van het Wetboek van Strafvordering gaande. Wat is in dit dossier volgens u het grootste pijnpunt? 

‘Er wordt gewerkt aan een ingrijpende wijziging van het Wetboek van ­Strafvordering, terwijl het strafrechtsysteem niet goed op orde is. Politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke macht zijn helemaal niet in staat om zaken goed te verwerken. Partijen geven dat zelf ook aan en je ziet daar veel berichten over in de media. Door capaciteitsgebrek moeten het OM en de politie veel ­opsporingsdossiers laten liggen. Daarbij zijn politieagenten niet altijd in staat een goed proces-verbaal te schrijven, omdat ze of het Nederlands niet goed beheersen, of zich er niet bewust van zijn hoe belangrijk het is om een proces verbaal goed in te richten. 

Straks hebben we een nieuw Wetboek van Strafvordering, terwijl de organisatie daar helemaal niet op is toegerust. Dat vind ik een moeilijk te begrijpen aanpak.’ 

KEI is een ander complex dossier. Begin november maakte de Rechtspraak bekend de pilots met digitaal procederen in Gelderland en Midden-Nederland te willen stoppen en de wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het gebied van digitaal procederen terug te draaien. Hoe kijkt u terug op alle inspanningen van de NOvA, om het digitaal procederen van de grond te krijgen? 

‘Dit project is het digitaliseringsproject van de Rechtspraak en dat is eigenlijk volledig misgelopen. We moeten nu overstappen naar een digitalisering waarvan de balie maar moet zien hoe dat precies ingericht gaat worden. In ieder geval niet meer zo ambitieus zoals het ooit bedoeld was. Ik vind het buitengewoon jammer dat de Raad voor de rechtspraak en het ministerie van Justitie en Veiligheid er niet in geslaagd zijn eerder op de rem te trappen. Veel advocaten hebben kosten gemaakt voor het laten ontwikkelen van systemen om via een koppeling direct digitaal te kunnen procederen. Ook zien advocaten dat uiteindelijk de rechtzoekenden de dupe worden van het mislukken van het oorspronkelijke systeem. 

Als je naar de toekomst kijkt, vind ik dat de minister voor Rechtsbescherming hier veel meer de regie moet nemen. Het gaat om 200 miljoen euro en een budgetoverschrijding van vele honderden procenten. Ik vind het ook moeilijk te verkopen naar de sociale advocatuur. Aan de ene kant wordt met miljoenen gesmeten, aan de andere kant wordt beknibbeld op een misschien nog wel veel belangrijker dossier.’ 

Wat wilt u uw opvolger Johan Rijlaarsdam meegeven? 

‘Dat hij vooral zichzelf moet blijven. Ik ga niet aanraden wat hij moet doen. Iedere algemeen deken moet dat voor zichzelf bepalen en daarin zijn eigen afweging maken. Je moet sowieso in het hele leven zo veel mogelijk jezelf blijven. Als je iets doet vanuit volle overtuiging, wekt dat vertrouwen bij degene met wie je spreekt. Ik ben in het verleden vaak mensen tegengekomen die het niet met me eens waren, en andersom was ik het niet met hen eens. Maar het meest uitdagende in deze functie is dat je met anderen in gesprek moet kunnen blijven. Dat kun je alleen maar doen als je dicht bij jezelf blijft. Als mensen denken dat je zit te draaien, gaat het mis en ben je weg.’ 

Buitenfoto-Bien-2

Sabine Droogleever Fortuyn

Redacteur

Profiel-pagina
Advertentie