Een algemene voorziening voor het verrekenen van de ‘te lang’ in voorarrest gezeten periode met een in een andere zaak opgelegde vrijheidsstraf bestaat (helaas nog) niet. De artikelen 68 lid 1 en 90 lid 4 Wetboek van Strafvordering (Sv) geven wel verrekeningsmogelijkheden, maar bieden pas soelaas als de zaak is geëindigd zonder de oplegging van een straf of maatregel.

Ook bij een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf is slechts beperkt verrekening mogelijk met ‘te veel’ in voorarrest gezeten dagen. In een zaak uit 20131 had de veroordeelde in de ‘hoofdzaak’ 119 dagen in voorarrest gezeten. De rechter veroordeelde hem uit­eindelijk tot twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaar­delijke gevangenisstraf van 54 dagen. De veroordeelde diende op basis van het vonnis feitelijk 114 dagen te zitten, terwijl hij al 119 dagen in voorarrest had doorgebracht. In kort geding wees de voorzieningenrechter ver­rekening niettemin af door te wijzen op ­artikel 27 Wetboek van Strafrecht (Sr). Hierin staat vermeld dat aftrek van voorarrest (slechts) plaatsvindt ten aanzien van ‘hetzelfde’ feit waarvoor veroordeeld wordt.

In 2017 boog de Hoge Raad zich over een ietwat afwijkende casus.2 Na het ondergaan van acht maanden voor­arrest volgde een veroordeling door het gerechtshof tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel werden bijzondere voorwaarden verbonden. Op enig moment schond de veroordeelde de bijzondere voorwaarden, waarna de advocaat-generaal de tenuitvoer­legging vorderde van de vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering tot tenuitvoerlegging werd door het gerechtshof toege­wezen. De veroordeelde zou daarom opnieuw vier maanden moeten zitten, na acht maanden voorarrest.

De veroordeelde wendde zich tot de voorzieningenrechter en vorderde in kort geding dat het de staat verboden werd om de toegewezen vordering tot tenuitvoerlegging te executeren. Hij beriep zich daarbij op artikel 27 lid 1 Sr. De voorzieningenrechter wees de vordering af. Bij de Hoge Raad kreeg de veroordeelde evenwel alsnog het gelijk aan zijn zijde: de aftrekregeling van artikel 27 Sr ziet ook op de nadien toegewezen vordering tot tenuitvoerlegging.3 De ‘te veel’ ondergane periode van voorarrest werd verrekend met de nadien toegewezen vordering tot tenuitvoerlegging, zodat geen vrijheidsstraf meer resteerde. De Hoge Raad verbood de staat de toegewezen vordering tot tenuitvoerlegging nog (verder) ten uitvoer te leggen.

Pragmatisch

Waar de Hoge Raad een principieel oordeel velde, kwam het Gerechtshof Den Haag eerder in die zaak overigens tot een praktische ‘oplossing’.4 De executie van het voorwaardelijk strafdeel werd niet onrechtmatig geacht, maar het gerechtshof zag wel aanleiding de tenuitvoerlegging van het strafdeel op te schorten totdat op een gratieverzoek was beslist. Een tip voor de praktijk is dan ook te proberen de executie-officier of de advocaat-generaal te bewegen tot een dergelijke pragmatische uitkomst.

Verrekening is dus niet, dan wel zeer beperkt mogelijk. Gewezen verdachten kunnen naar geldend recht evenmin aanspraak maken op een schadevergoeding voor de tijd die ze achteraf bezien ‘te lang’ in voorarrest hebben gezeten. Al gloort voor die groep enige financiële hoop: hoofdstuk zes van het voorgestelde Boek van het (nieuwe) Wetboek van Strafvordering voorziet in een algemene schadevergoedingsregeling.5

Door Jeroen Michels, advocaat bij Michels & Tuma Advocaten in Oldenzaal.

Noten

1              Rechtbank Den Haag 28 januari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1436.

2              Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:462.

3              Volledigheidshalve: het ging hier dus om een vordering TUL bijzondere voorwaarden. De zaak met ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1436 zag op een vordering TUL algemene voorwaarden, gekoppeld aan een nieuwe zaak.

4              ECLI:NL:GHDHA:2015:3412.

5              Memorie van toelichting bij de Vaststellingswet Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, p. 56-70.