Something is rotten in the State of Denmark, zegt Marcellus in Hamlet. Er zit betonrot in de rechtstaat, schrijft Herman Tjeenk Willink. Staatssecretaris Harbers vindt dat hij een rottig besluit heeft genomen maar beseft kennelijk niet hoe rot het wachten op een veilige haven was voor de mensen op de Sea Watch. En dat ontmoet zeker begrip in de havenstad Rotterdam. Hier wordt het geld verdiend dat in Den Haag wordt uitgegeven, zij het bij voorkeur niet aan rechts­bescherming.

Moeten we ons zorgen maken over de sluipende uitholling van de democratische rechtsstaat? Tjeenk Willink antwoordt bevestigend. Ook de vorige algemeen deken van de NOvA luidde in zijn laatste column in het Advocatenblad de noodklok. Het is ook opmerkelijk dat juridische studenten een oproep plaatsten om de rechtsstaat in bescherming te nemen. Het zijn signalen die niet genegeerd kunnen worden. En dan heb ik het nog niet over rechters die de publiciteit zoeken omdat ze vinden dat het zo niet verder kan of politiemensen die klagen dat ze het werk niet meer aankunnen. Ook niet na de stoere doch niet zo verstandige steun van onze premier.

Ik denk dat de sombere analyse van Tjeenk Willlink aardig klopt. In de kern komt die erop neer dat het politieke normatieve denken grotendeels is vervangen door marktdenken. Dit soort denken hecht geen waarde aan instituties, maar daarin wordt alles beoordeeld op meetbare prestaties die iets moeten opleveren. Op die manier worden rechters en advocaten kostenposten die ook nog eens lastposten blijken te zijn, omdat ze in de weg staan aan de macht van het bestuur, dat graag ongehinderd daadkrachtig wil optreden. Het kenmerkende van een rechtsstaat is dat de op zich noodzakelijke macht van het bestuur juridisch is ingekaderd en controleerbaar en beperkt kan worden via openlijke kritiek en rechtsbescherming. Autoritaire regimes pakken niet voor niets altijd als eerste de vrijheid van meningsuiting en de rechtspraak aan. Ik beweer niet dat Nederland een autoritair regime heeft. Maar een warm hart voor de beginselen van een rechtsstaat ontbreekt bij vele bestuurders en politici en de gemiddelde burger ligt er niet wakker van, tot het te laat is. Enkele politieke partijen hebben gedachten die op gespannen voet staan met de beginselen van een rechtsstaat.

Het is niet zo vreemd dat de publieke belangstelling voor dit onderwerp gering is. Nederland scoort goed als het gaat om kwaliteit van de rechtspleging en het vertrouwen van de burger in de rechter is ongekend hoog. Waarom zouden we ons druk maken? Ook de laatste peiling van het CBS wijst uit dat zeventig procent van de mensen vertrouwen heeft in de rechtspraak. Ik weet niet of die dertig procent bestaat uit mensen die ervaring hebben opgedaan binnen de rechtspleging, want de teleurstellingen zijn dan ook onvermijdelijk niet gering.

Het antwoord lijkt me niet zo ingewikkeld. De wetgever heeft in de laatste decennia ervoor gezorgd dat minder een beroep gedaan kan worden op de gewone rechter. Bijvoorbeeld op het gebied van schade die wordt veroorzaakt door de overheid. Bijvoorbeeld door een deel van de strafrechtspleging te verschuiven naar het Openbaar Ministerie. En vervolgens op het OM flink te bezuinigen waardoor de kwaliteit van zijn werk kennelijk onder druk is komen te staan. Ik weet dat berichten in kranten tegenwoordig met argwaan bekeken moeten worden, maar zorg over deze wijze van afdoening lijkt gerechtvaardigd. Het beleid van deze regering is dat de burger vooral zelf zijn problemen moet oplossen. De zelfredzame burger komt vol in beeld. Maar bestaat die burger wel? Een groot aantal burgers is laaggeschoold en relatief arm. Veel mensen zijn niet weerbaar omdat ze zwakbegaafd zijn of geestelijk gestoord dan wel dement of te oud. Onze maatschappij is erg ingewikkeld geworden en de wetgever heeft daaraan een ruime bijdrage geleverd door te veel onleesbare en gebrekkige regels te maken en ruime controlemechanismen om die zelfredzame burger in toom te houden. Ook de beter geschoolde en slimme burger raakt al gauw de weg kwijt in de doolhof van het recht. Dan is het niet erg handig als de toegang tot de rechter minder eenvoudig wordt gemaakt door verhoging van griffierechten en op de van overheidswege bekostigde rechtsbijstand wordt bezuinigd. Wat de regering doet, is het recept dat tegenwoordig in de mode is: de verantwoordelijkheid elders leggen. Burger, los het maar op want de overheid doet het niet voor je.

Wil er iets van rechtsbescherming terechtkomen, dan moet de overheid voor goede regelingen zorgen en een structuur waarin dat gewaarborgd is. Ik las kortgeleden The Secret Barrister over de afbraak van het rechtssysteem in het Verenigd Koninkrijk en schrok echt van de desastreuze gevolgen die blijkbaar aan politici in dat land zijn voorbijgegaan. Dit boek laat zien waartoe bezuinigen kunnen leiden. Tot een desastreuze ontmanteling van de strafrechtspraak die grotendeels beneden een minimaal niveau is geraakt, tarieven van advocaten waarvoor andere dienstver­leners in onze samenleving hun neus ophalen en het allerergste, enorme ellende voor de burgers die de pech hebben in deze Frankensteinmachine terecht te zijn gekomen. Kafka zou er een nachtmerrie van krijgen. Ik heb dit boek in de brievenbus van minister Dekker gedaan, maar een reactie bleef tot nu toe uit.1

Dit zijn sombere gedachten die veel mensen, onder wie vooral politici, niet zullen aanspreken. Ik wil vandaag proberen kritisch-constructief te zijn. We leven nog steeds in een welvarend en beschaafd land en moeten proberen dat in stand te houden.

  1. Er is gelukkig een ontwikkeling gaande waarin de juridische beroepen steeds meer met elkaar in verbinding staan. De bijeenkomst van vandaag is daarvan een voorbeeld. Door elkaar te ontmoeten, leren we van elkaar en kunnen we ook beter en effectiever de problemen die er zijn oplossen. In de rechtspleging zijn we op elkaar aangewezen en moeten we op elkaar kunnen vertrouwen met behoud van de verschillende verantwoordelijkheden. Samenwerking betekent: van elkaar leren en een beter resultaat bereiken dan bij domme tegenwerking. Samenwerking, ook met de minister, is daarom een noodzaak. Als op de minister niet valt te bouwen, moet hij dáárop door alle juristen worden aangesproken. Als degenen die mede verantwoordelijkheid dragen voor het in stand houden van een goed functionerende rechtsstaat eendrachtig de juiste richting aanwijzen, de noodklok luiden en oplossingen aandragen, zal dat hopelijk wel indruk maken.
  2. Omdat de wereld heel snel verandert, moet het rechtsbedrijf daarin meegaan. Voortdurend zoeken naar vernieuwing, verbetering of meer effectiviteit is hoogstnoodzakelijk. Innovatie is de enige manier om de problemen op de langere duur op te lossen. Rechters, officieren en advocaten zijn anders dan ze vaak denken helemaal niet zo goed in innovatief denken en houden vast aan vele traditionele werkvormen. Dat is niet meer mogelijk. Zij hebben andere disciplines nodig die hun leren hoe je dit werk op een andere manier kunt doen met verbetering van kwaliteit en effectiviteit en toch minder tijdrovend en kostbaar. Oplossingen in de vorm van meer geld zijn niet eenvoudig voorhanden en dus zullen er andere manieren gevonden moeten worden om ervoor te zorgen dat de rechtspleging in stand blijft en goed functioneert. De digitale wereld biedt volop kansen. Neem van mij aan: het kan alleen maar een stuk beter.
  3. De inhoudelijke oplossingen moeten komen van de professionals. In die zin ben ik het eens met Tjeenk Willink (groter denken, kleiner doen). De bewaking van de kwaliteit van werken ligt immers in de handen van degenen die dat werk uitvoeren. Rechters, officieren en advocaten kunnen daarop worden aangesproken, maar zij mogen en moeten zich ook verzetten tegen alle maatregelen die een aantasting van de rechtsstaat betekenen. Iedereen is binnen zijn werkkring verantwoordelijk voor het leveren van een optimale kwaliteit. De toegang tot het recht kan alleen in stand gehouden worden als ook de kosten worden bewaakt. Zeker, hoogwaardige kwaliteit kost geld, maar niet voor ieder juridisch probleem is dezelfde inspanning nodig. Het is een fantastische uitdaging om met minder middelen meer kwaliteit te bieden en dat kan heel goed.
  4. De huidige maatschappij verlangt snelheid en duidelijkheid. Het is hard nodig om recht en rechtspleging veel toegankelijker te maken voor de gewone burger en voor de ondernemers die van de juridische diensten gebruikmaken. Op dit gebied valt nog veel te winnen. Maar het is even belangrijk verwachtingen te temperen. Er zijn veel problemen die niet of niet alleen via het recht of de rechter kunnen worden opgelost. De rechter heeft wel een maatschappelijke functie maar is geen maatschappelijk werker of therapeut. Wat wel aan oplossingen kan bijdragen, is dat problemen in een breder verband worden gezien en dat samengewerkt wordt aan oplossingen, zoals in het familierecht of in het insolventierecht al wordt gedaan. Ik vind de Rotterdamse regelrechter een heel goed initiatief.
  5. Ik ben het oneens met degenen die menen dat bestuurlijk denken in de rechtspraak de oorzaak is van alle ellende. In navolging van een fraai betoog van Hans de Bruijn in Trouw van 22 december 2018 vind ik het simplistisch om bestuurders de schuld te geven. Het is te simplistisch gedacht om te veronderstellen dat er slechts één oorzaak van de ellende is en het is te gemakkelijk om jezelf als slachtoffer van de bestuurders te zien. Die slachtofferrol ontslaat mensen van de verplichting samen te werken aan een oplossing: de schuld ligt immers bij een ander. Maar dan moeten de bestuurders wel hun verantwoordelijkheid serieus nemen en luisteren naar de werkvloer. Frits Bakker gaf wat dit betreft een slecht voorbeeld in een afscheidsinterview waarin hij ook alles over de schutting gooit. Hij gaf een sneer naar de vroegere minister van Financiën, Dijsselbloem, die prompt antwoordde: dit is gewoon niet waar. Het mislukken van KEI lag volgens Bakker aan civilisten die niet wilden overgaan naar het bestuursrechtelijk model. Dat is volstrekte onzin. Ik heb er met mijn neus bovenop gezeten.
  6. Het sleutelwoord is vertrouwen. Het begint met vertrouwen in elkaar, onderling en ook in de beroepsmatige verhoudingen. Wantrouwen kost veel extra inspanningen, leidt tot slechte verstandhoudingen, onwil en onnodige controle. Vertrouwen van mensen die met de rechtspraak in aanraking komen: dat zij eerlijk, zorgvuldig en deskundig bejegend worden en niet worden vermalen in molens die langzaam draaien en niets opleveren. Heel veel mensen zijn daarin diep teleurgesteld en dat leidt tot negatieve gevolgen voor vertrouwen in de rechtsstaat. Het is prachtig dat het vertrouwen volgens de ranglijsten er nog is. Noblesse oblige: doe er allen aan dit vertrouwen waard te zijn en werk daaraan vooral met elkaar.
  7. In deze tijd van framing, nepnieuws, beeldvorming en sjoemelen met feiten behoort de rechtspraak te streven naar waarheidsvinding. Er kan geen rechtvaardige beslissing worden genomen als die niet steunt op de juiste en volledige feiten voor zover dat mogelijk is. Dat vereist een bepaalde manier van werken; integriteit, zorgvuldigheid en deskundigheid behoren de leidraad te vormen waarop de burger kan vertrouwen. Dat kost tijd en dus geld, ik weet het. Er zijn ook anderen die geld vragen: politie, zorg, defensie, onderwijs. De laatste vraagt vier miljard meer, dat is viermaal de begroting van rechtspleging. Als de rechtspraak door te grote bezuinigingen haar werk niet meer goed kan doen, leidt dat tot de verrotting die in The Secret Barrister beschreven staan en die we nu in sommige opzichten al zien.
  8. Ten slotte: de rechtspraak en al degenen die daarbij zijn betrokken, moeten in laatste instantie de rechtsstaat overeind houden en zorgen voor handhaving van fundamentele rechten en rechtsbeginselen. Dat is in meerdere betekenissen een dure plicht. Er zijn in onze nabije wereld voldoende tekenen die reden zijn voor waakzaamheid. Als het erop aan komt, moeten wij allen, maar in het bijzonder degenen die hun rug recht durven houden, pal staan voor het belang van de rechtsstaat, niet alleen voor onszelf maar vooral voor degenen die in onze samenleving geen andere bescherming hebben dan die van het recht.

Deze opinie is door Fred Hammerstein uitgesproken op 15 januari bij de opening van het juridisch jaar in Rotterdam.

Noot

1              De minister heeft daags na de lezing gereageerd, meldt Hammerstein volledigheidshalve.