Fiscalist Karim Aachboun had de klacht tegen de voormalig Allen & Overy-advocaat ingediend vanwege een brief die Grapperhaus naar de kantonrechter stuurde in de ontslagzaak van Aachboun. De fiscalist werd in januari 2016 ontslagen bij KPMG. Daarop stuurde de partner met wie Aachboun werkte een klacht naar het Hof ‘s-Gravenhage over het gedrag van een van de rechter-plaatsvervangers, die ook partner bij KPMG is. Over die klacht en de reactie daarop van de president schreef Grapperhaus de kantonrechter in maart 2016 aan.

Aachboun klaagde dat Grapperhaus gedragsregel 30 (oud) had geschonden in zijn brief aan de kantonrechter. Advocaten mogen geen feitelijke gegevens verstrekken waarvan ze weten, of behoren te weten, dat die onjuist zijn. Grapperhaus schreef dat de president ‘uitvoerig’ en ‘aan de hand van de stukken’ een klacht had overwogen. Maar de president had niet de beschikking over alle bijlagen bij de brief, dus volgens Aachboun klopte die formulering niet.

De klacht van Aachboun houdt in dat Grapperhaus als toenmalig advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij aan de kantonrechter informatie heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat die onjuist was. Ook zou hij de privacy van klager hebben geschonden.

Onjuiste gegevens

In april vorig jaar verklaarde de Raad van Discipline in Amsterdam de klacht ongegrond. Het hof stelt nu dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen. ‘Grapperhaus is in dit geval ruimschoots binnen die vrijheid is gebleven.’ De begeleidende brief moet in samenhang worden gelezen met de in de procedure gebrachte brief van de president van het gerechtshof. ‘Uit die brief blijkt ontegenzeggelijk dat de president geen kennis heeft genomen van de bijlagen bij de klacht, maar wel kennis heeft genomen van één van de bij de klacht genoemde bijlagen,’ aldus het hof.

‘Voor zover klager van mening is dat Grapperhaus in zijn begeleidende brief een kleuring heeft gegeven die nuancering behoeft, had klager die nuancering in de procedure aan kunnen brengen. Grapperhaus valt op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. De Raad van Discipline heeft daarom terecht geoordeeld dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.’

Privacy

Volgens Aachboun heeft Grapperhaus overhaast de conclusie getrokken dat de toenmalige advocaat van klager nog steeds zijn advocaat was. ‘Grapperhaus heeft die advocaat ten onrechte in de cc van zijn mail aan klager opgenomen en daarmee de privacy van klager geschonden,’ aldus de fiscalist.

‘De gedragsregel waarop klager zich beroept gaat over de betrekkingen tussen advocaten,’ zegt het hof. ‘Deze gedragsregel is bedoeld om te voorkomen dat de ene advocaat achter de rug van de andere advocaat om met diens cliënt in contact treedt. Die situatie is hier niet aan de orde en daarom is van een schending van deze norm geen sprake. In dit geval heeft Grapperhaus eerder in lijn met de bedoeling van deze regel gehandeld door de advocaat van klager, die tijdelijk niet in beeld was, toch te voorzien van de informatie die Grapperhaus naar de tegenpartij van zijn cliënt verzond.’ Het hof is dan ook van oordeel dat de privacy van klager niet is geschonden.

Ook is er volgens het hof niet gebleken dat de voormalig advocaat de geheimhoudingsplicht heeft geschonden. ‘Dat ligt ook niet voor de hand, omdat klager nadien deze advocaat opnieuw heeft benaderd als advocaat. Wel was het beter was geweest als Grapperhaus eerst bij klager had gecontroleerd of en, zo ja, door wie klager werd bijgestaan. Het in cc opnemen van die advocaat in de e-mail aan klager is echter niet ernstig genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.’

Beslissing raad

In hoger beroep heeft de klager ook nog aangevoerd dat de eerdere beslissing van de Raad van Discipline nietig is, omdat volgens de Advocatenwet de minister van Justitie en Veiligheid de (plaatsvervangend) voorzitter van de Raden van Discipline benoemt. Grapperhaus heeft echter de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline, die in eerste instantie in zijn klachtzaak heeft beslist, niet benoemd. De minister voor Rechtsbescherming, Sander Dekker, heeft deze bevoegdheid.

Volgens klager is de minister van Justitie en Veiligheid belast met het leiding geven aan het ministerie en daarmee eindverantwoordelijk. Deze eindverantwoordelijkheid betekent dat Grapperhaus volledig aanspreekbaar is in de Staten-Generaal voor het functioneren van zijn ambtelijke organisatie. ‘De minister voor Rechtsbescherming valt daar niet onder,’ aldus het hof.

‘Grapperhaus heeft met de benoeming van leden van de Raden van Discipline (en ook het Hof van Discipline) niets van doen. Van een nietige beslissing is dus geen sprake.’ Volgens het hof zijn er daarom geen redenen aanwezig om, zoals klager wenst, over deze kwestie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

F3I2124-kleiner

Francisca Mebius

Redacteur

Profiel-pagina
Advertentie