petra-3

Advocaten speelden vaak een rol bij de zogeheten herzieningsverzoeken waarmee Joden wilden aantonen dat ze niet vol Joods waren. Deze ontsnappingsweg staat bekend als de lijst-Calmeyer, genoemd naar de Duitser Hans Calmeyer, het hoofd van de dienst die over de verzoeken besliste. In totaal tenminste 2.659 Nederlandse Joden wisten via zo aan deportatie te ontkomen.

Van den Boomgaard kreeg als eerste onderzoeker toegang tot alle ingediende herzieningsverzoeken. Daardoor kan zij een goed beeld schetsten, bijvoorbeeld van de hulp die Joden kregen van onder meer advocaten, artsen en notarissen. Die hulp blijkt groter dan tot nu toe gedacht. Zo was bij 41 procent (2.236 mensen) van alle verzoekers een advocaat betrokken. Omgerekend stond vijftien procent (286) van alle Nederlandse advocaten Joden juridisch bij tijdens deze sluiproute. ‘Dat cijfer betekent zeker een rehabilitatie voor de passieve houding van de Nederlandse advocaten tijdens de oorlog. In elk geval in dit dossier’, stelt Van den Boomgaard.

Yad Vashem

Na de oorlog ging de aandacht uit naar de heldhaftige hulp van een drietal advocaten, die grote aantallen Joden via de arisering wisten te behoeden voor het concentratiekamp. Dit waren Nino Kotting, Martien Nijgh en Jaap van Proosdij. Zij kregen van Israel de Yad Vashem-onderscheiding. Van den Boomgaard ‘nomineert’ op basis van haar bevindingen nog diverse andere advocaten voor deze onderscheiding: bijvoorbeeld de Amsterdamse Gerda Veth, die 108 herzieningsverzoeken begeleidde en daarmee 106 Joden het leven redde.

Advocaten waren extra waardevol voor hun Joodse cliënten omdat zij precies wisten  welke bewijsmiddelen nodig waren voor een succesvol herzieningsverzoek. ‘Zoals een antropologisch rapport of een verklaring van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap dat iemand toch geen lid en dus niet Joods was’, aldus Van den Boomgaard. Dankzij deze expertise was de kans op toewijzing van het herzieningsverzoek en uiteindelijke overleving veel groter.

Meer dan andere hulpverleners liepen advocaten risico, stelt Van den Boomgaard. Zij waren immers direct medeverantwoordelijk voor de valse bewijsvoering. Zo verzonnen Joodse indieners adopties en buitenechtelijke affaires om niet als Joods bestempeld te worden. ‘Ádvocaten hadden regelmatig een actieve rol in het bedenken dit soort fantasieverhalen’, vertelt Van den Boomgaard. Het risico werd achteraf bezien beperkt door de rol en positie van niet-nazi Calmeyer. Die gaf de nazi’s in de zomer van 1944 geen toestemming om dossiers in te zien. ‘Toch waagden advocaten echt veel. Een Joodse advocaat is vanwege zijn werk rond de lijst-Calmeyer zelfs gedeporteerd en omgekomen.’

Smalle marges

Het proefschrift is in lijn met het boek ‘Smalle marges’ (2010) van NIOD-onderzoeker Joggli Meihuizen over de algemene rol van Nederlandse advocatuur in de oorlog. Meihuizen stelde in het Advocatenblad dat de grote meerderheid van de advocaten ‘meebewoog’ met de Duitse bezetter. Buiten het formele advocatenwerk was er meer ruimte om zich te onderscheiden, zoals via de lijst-Calmeyer: ‘Dat was een en al leugen en bedrog en dat staat haaks op de beroepsethiek’, zei Meihuizen destijds. ‘Maar een deel deed het gewoon, men zag het als een plicht om die anti-Joodse maatregelen te ontkrachten.’

foto-Stijn-Dunk

Stijn Dunk

Redacteur Advocatenblad

Profiel-pagina
Advertentie