Mr. X was contactpersoon van de rechtsbijstandsverzekeraar waarmee zijn kantoor zaken deed. Een kantoorgenoot behandelde in opdracht van de verzekeraar de zaak van een vrouw die schadevergoeding wenste van haar zorgverlener. Toen de vrouw overleed, ging de zoon met de zaak verder. De kantoorgenoot bracht aan de zoon een negatief advies uit: onvoldoende kans van slagen, als hij wilde kon hij een second opinion vragen. De kantoorgenoot sprak met de zoon af dat het advies niet naar de verzekeraar gestuurd zou worden.

Een paar maanden later kreeg mr. X als contactpersoon van de verzekeraar het verzoek het dossier van de moeder aan de verzekeraar te sturen met het oog op een second opinion. Mr. X stuurde het negatieve advies van de (inmiddels vertrokken) kantoorgenoot aan de verzekeraar. Toen de zoon hem hierop aansprak, bood mr. X zijn excuses aan – hij wist niet dat zijn voormalige kantoorgenoot had toegezegd dat niet te zullen doen. Maar hij stond wel achter het advies, dus dat kon hij niet intrekken.

Enkele maanden later kwam er weer een verzoek van de verzekeraar: wilde mr. X het dossier aan advocaat R sturen? Die zou dan een second opinion geven. Ook dat deed mr. X.

De zoon klaagt: mr. X had het negatieve advies noch aan de verzeraar, noch aan de second opinion-advocaat mogen sturen. Bovendien had hij niets gedaan om zijn fout te herstellen.
Volgens verweerder was het ‘gebruikelijk en juist’ om de het advies in het kader van de second opinion naar de verzekeraar te sturen.

Maar wat gebruikelijk is, is niet altijd juist. De Amsterdamse tuchtrechter is het met de zoon eens. Anders dan mr. X betoogde, was de zoon na het overlijden van zijn moeder als cliënt behandeld, dus had het kantoor van mr. X jegens hem een geheimhoudingsplicht. Alle aan de advocaat toevertrouwde informatie is in beginsel vertrouwelijk. Die verplichting gaat voor op verplichtingen jegens de verzekeraar, die de zaak voor de cliënt betaalt. Het is aan de cliënt om te bepalen hoe hij zijn polisverplichtingen jegens de verzekeraar nakomt. Mr. X had dus niet alleen de toezegging van zijn kantoorgenoot, maar ook de geheimhoudingsplicht geschonden. Dat gold ook voor de toezending aan de second opinion-advocaat op verzoek van de verzekeraar.

Verder had van mr. X verwacht mogen worden dat hij zijn handelen ongedaan had gemaakt door bijvoorbeeld het advies in te trekken. Dat is mogelijk, ook als je nog steeds achter de inhoud staat.

Mr. X kreeg een berisping, maar kan nog in appel.

Trudeke

Trudeke Sillevis Smitt

Freelance redacteur

Profiel-pagina
Advertentie