Groene-kaart-klein1

Algemeen deken Johan Rijlaarsdam liet het er niet bij zitten, toen hij dit voorjaar de uitspraak van de Amsterdamse tuchtrechter onder ogen kreeg. Een strafadvocaat die haar geheimhouder­telefoon had uitgeleend aan haar cliënt kwam weg met slechts een waarschuwing. Onacceptabel, oordeelde Rijlaarsdam. ‘Geef je je geheimhoudertelefoon uit handen, zoals in dit geval aan een verdachte, dan is dat tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daar hoort een stevige tuchtrechtelijke sanctie bij.’ Dus maakte de algemeen deken, hoewel zelf niet de klager, gebruik van zijn bijzondere bevoegdheid om hoger beroep in te stellen. Met succes: het hof zette recent de waarschuwing om in een schorsing.

Rijlaarsdam is niet de enige die soms met verbazing kennisneemt van het oordeel van de tuchtrechter. Wie op www.tuchtrecht.overheid.nl door de uitspraken bladert, komt de nodige vergevingsgezindheid tegen. Wat te denken van deze zaak, afgelopen winter bij de raad van discipline in Arnhem? Een advocaat moest zich daar verantwoorden na bezwaar, ingediend door de deken van Gelderland, en twee klachten van voormalige cliënten. Ze had haar cliënten jarenlang aan het lijntje gehouden, termijnen laten verlopen en hun belangen volledig verzaakt. De steeds indringender verzoeken van de deken om een toelichting werden stelselmatig genegeerd. In zijn uitspraak stelt de tuchtrechter het gedrag van de advocaat zo ernstig te vinden dat ‘een schrapping passend en geboden zou zijn’.

 

Niettemin komt de uiteindelijke maatregel daar niets eens bij in de buurt. Verweerster is ter zitting verschenen en kruipt daarmee door het oog van de naald, schrijft de rechter letterlijk in zijn oordeel (ECLI:NL:​­TADRARL:2019:38). De advocaat krijgt drie keer een voorwaardelijke schorsing opgelegd en (op verzoek van de deken) 83 uur verplichte coaching, door haarzelf te betalen. Al met al kan ze haar praktijk voortzetten.

Betamelijk

Gele-kaart-klein

Het tuchtrecht is er om de kwaliteit van de beroepsgroep te bewaken en daarmee een goede rechtsbedeling te bevorderen. Artikel 46 van de Advocatenwet wijdt er een volzin aan, die in de loop der jaren steeds langer is geworden. ‘De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten, ter zake van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.’

De tuchtrechter oordeelt of een advocaat betamelijk handelt. Zo niet, dan legt hij een maatregel op die passend en geboden is. Maar wat houdt dat in? Het college van toezicht stelde eerder dat de tuchtrechter te vaak fluwelen handschoenen draagt. In het jaarverslag over 2017 constateert de ‘keurmeester van het toezicht’ met tevredenheid dat tuchtrechters meer en meer kijken naar de kwaliteit van de dienstverlening van advocaten. Maar de aanpak van structureel zwakke broeders en zusters schiet tekort, meent het CvT. ‘Het college ziet echter in de tuchtrechtspraak ook zaken waarin advocaten een historie van recidive hebben, en er toch met een milde maatregel vanaf komen. In het licht van de bescherming van rechtzoekenden vindt het college de uitkomst van de aanpak van recidive soms onbevredigend.’

Zelfreinigend

Indirect draagt het tuchtrecht bij aan het maatschappelijk vertrouwen in de advocatuur. Een beroepsgroep met een gezond zelfreinigend vermogen – de kosten van het tuchtrecht worden door de branche zelf betaald – beschermt de samenleving tegen beunhazen.  Dat zelfreinigend vermogen steekt echter wat bleekjes af, wanneer je het naast andere beroepsgroepen zet. De Groningse docent rechtsgeleerdheid Rianne Herregodts promoveerde eerder dit jaar op een vergelijking van het tuchtrecht voor accountant, artsen en advocaten.

Volgens Herregodts wordt in tuchtzaken voor accountants en artsen veel sterker gekeken naar de vaktechnische kwaliteit van het werk dan bij advocaten. In de advocatuur wordt van oudsher meer beoordeeld op gedrag dan op inhoud. Herregodts constateert weliswaar een verbetering ten opzichte van een aantal jaren geleden, maar stelt ook dat er nog wel een tandje bij kan.

Ze pleit in haar proefschrift voor veel concretere kwaliteitsnormen. ‘Richtlijnen en protocollen met aandachtspunten of best practices voor veelvoorkomende handelingen of vraagstukken in de juridische praktijk ontbreken. Het gevolg is dat de tuchtrechter aan het normatief kader weinig houvast heeft bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening in een specifiek geval. Het leidt ertoe dat de beoordeling die de tuchtrechter maakt van het inhoudelijke werk van advocaten een oppervlakkige is, waarin van oudsher alleen overduidelijk tekortschieten tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt geacht. Een voorbeeld is het missen van fatale termijnen.’

Richtlijnen

Herregodts vindt een medestander in Joost van Dijk, oud-voorzitter van (2012-2017) van het Hof van Discipline. ‘Advocaten komen te vaak weg met een kletspraatje. Daar moet dringend iets aan gedaan worden. De beroepsgroep is het nooit eens geworden over kwaliteitsnormen. Dat is een zwakke plek in het geheel’, stelt hij.

Van Dijk wil duidelijke richtlijnen. Hij wijst naar de Rechtspraak waar de afgelopen jaren per rechtsgebied ‘professionele standaarden’ zijn vastgesteld. Als het voor rechters kan, waarom dan niet voor advocaten?  ‘Ik snap dat de beroepsgroep bang is voor bureaucratie en bemoeienis als je de normen voor kwaliteit uitgebreider gaat vastleggen. Maar de voordelen en de belangen om het wel te doen zijn veel groter: duidelijkheid voor de cliënt, kleinere verschillen in kwaliteit tussen advocaten en heldere criteria waarop je kunt beoordelen: waar moet een goede advocaat aan voldoen?’

Binnen de advocatuur en het tuchtrecht zijn maar weinig voorstanders te vinden voor strakkere richtlijnen. Tuchtrechtadvocaat Robert Sanders, in 2017 ook gepromoveerd op advocatentuchtrecht, is ronduit gekant tegen vastomlijnde kwaliteits­normen. Hij wijst erop dat in het tuchtrecht met opzet is gekozen voor zogeheten open normen. ‘Anders dan in bij voorbeeld het strafrecht heeft de wetgever geen concrete strafmaat vastgelegd. De tuchtrechter heeft daarmee de vrijheid om een oordeel te vellen gebaseerd op de normen die op dat moment gangbaar zijn binnen de balie. Die normen zijn veranderlijk, reden waarom ook de gedragsregels om de zoveel tijd worden aangepast.’

Open norm

Rode-kaart-klein

Volgens Sanders is het juist beter niet alles vast te leggen in richtlijnen of protocollen. ‘Dan kunnen advocaten die evident onbetamelijk handelen zich daar ook niet achter verschuilen met het verweer Ja maar, dit valt niet onder die of die bepaling.’ De advocaat bestrijdt dat er weinig kwaliteitsnormen zijn. Hij noemt de twee jaar geleden vernieuwde gedragsregels van de advocatuur, de vijf kernwaarden vastgelegd in de Advocatenwet, de advocateneed, de Verordening op de advocatuur, de praktijkregels van specialisatieverenigingen. ‘En dan is er nog decennia  aan jurisprudentie voorhanden. Meer dan genoeg munitie om invulling te geven aan de open norm.’

Sanders krijgt bijval van de Amsterdamse deken Evert-Jan Henrichs. Die onderstreept dat het vak van advocaat een uniek karakter heeft dat zich lastig verdraagt met vaste normen. ‘Bij accountants en artsen kun je de werkwijze veel makkelijker in protocollen vastleggen. Bij advocaten is het juist een wezenlijk onderdeel van je werk dat niet alles in schema’s past. Advocaten moeten de vrijheid hebben buiten de gebaande paden te treden. Ons vak is ook heel casuïstisch, het verschilt enorm per zaak. Als arbeidsrechtadvocaat grapte ik wel eens: er is maar één ding belangrijk en dat is welke advocaat je treft aan de andere kant. Daar stem je je hele strategie op af. Er is niet één perfecte aanpak.’

Alleen Tijn van Osch, voorzitter van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden, kan er tot zekere hoogte in meegaan. ‘Je kunt voor overzichtelijke geschillen best richtlijnen opstellen. Die zijn er eigenlijk al. Weliswaar niet vanuit de orde, maar vanuit de specialistische professie. Er zijn handleidingen hoe je bepaalde zaken moet aanpakken. Prima, dat kunnen we ook gebruiken. Maar dan toets je nog alleen maar de randvoorwaarden, niet de kwaliteit. Of je op tijd beroep instelt, of een brief stuurt bij ontslag op staande voet, dat soort zaken. Daarmee is niet gezegd dat je de zaak inhoudelijk goed behandelt. Dat is mijn bezwaar tegen protocollen. Dat je meer de nadruk legt op randvoorwaarden dan op de echte inhoud.’

Beroepsverbod

De vier raden van discipline oordeelden de afgelopen vijf jaar over bijna vijfduizend klachten tegen advocaten. Daarbij blijken er behoorlijke verschillen te bestaan tussen de raden, zoals blijkt uit deze nadere vergelijking. In bijna een derde van het aantal gevallen werd de klacht gegrond verklaard. De raden legden ruim 1400 keer een maatregel op; de tuchtrechter deelt formeel geen straffen uit.

Ruim duizend keer werd een waarschuwing of berisping uitgesproken. In nog eens driehonderd zaken kwam het tot een schorsing, al dan niet voorwaardelijk. De zwaarste maatregel, een definitief beroepsverbod, werd 74 keer opgelegd. Per saldo legden de raden in minder dan vijf procent van de gevallen een maatregel op die resulteerde in een tijdelijk of permanent beroepsverbod.  Dat percentage is door de jaren redelijk stabiel. Ook het aantal waarschuwingen verandert in verhouding nauwelijks. Wel is het zo dat vaker wordt besloten tot geen maatregel, hoewel de klacht wel gegrond is verklaard.

Tuchtrechter Van Osch gelooft niet dat hij en zijn collega’s milder worden in hun oordeel. Sterker, als gemiddeld een derde van de klachten tot een veroordeling leidt, is dat behoorlijk fors, vindt hij.  ‘De laatste jaren is er discussie over de vraag of er niet te licht wordt gestraft. Ook op Twitter merk ik dat veel advocaten die mening zijn toegedaan. Maar als je dan doorvraagt, betreft het vaak niet meer dan een gevoel. Mensen komen met één of twee voorbeelden. Ja, die voorbeelden kan ik ook wel vinden. Maar we doen duizend uitspraken per jaar.’

Hof van Barmhartigheid

Tuchtrechter-kaarten-klein

Advocaat Sanders bestempelt de discussie als een modeverschijnsel, dat periodiek de kop opsteekt. ‘Ik zie het als waan van de dag. Historisch gezien zie je een conjunctuurbeweging binnen het tuchtrecht dat men om de zoveel tijd vindt dat er te slap wordt gestraft. In het verleden had het Hof van Discipline de bijnaam het hof van barmhartigheid. Ik zie daar niet veel bewijzen voor.’

Van Osch wijst er fijntjes op dat dé tuchtrechter niet bestaat. Het is een college, gevormd door een rechter, een griffier en een aantal advocaat-­leden. ‘We spreken wel van dé raad, maar feitelijk bestaat die niet. Het zijn steeds wisselende combinaties. Ik heb zeven plaatsvervangend voorzitters, we zijn dus met acht en hebben ook nog eens wisselende advocaat-leden. Zo’n combinatie beslist onafhankelijk, zonder verantwoording af te leggen, ook niet aan mij. Er is geen hiërarchie.’

Van Osch vindt dat het systeem over het algemeen goed functioneert. Niet dat er geen problemen zijn, maar die worden eerder bepaald door de in zijn ogen gebrekkige financiering. Aan de oordeelsvorming mankeert niet veel. ‘Ik denk dat de tuchtrechter er behoorlijk in slaagt degenen eruit te zeven die niet in de beroepsgroep thuishoren en dat de rest een tik op de vingers krijgt. Soms een harde tik, soms een mindere.’

Ook de Amsterdamse deken Henrichs ziet weinig minpunten. ‘De kwaliteit van de uitspraken vind ik gestegen. Ze worden goed gemotiveerd. De zaak wordt in een groter, coherent geheel geplaatst zodat je er wat aan hebt voor de toekomst. Vaak gaat een oordeel boven de casus uit, er worden bredere kaders geschetst. Zoals in de zaak rond no cure, no pay in de aardbevingskwestie in Groningen. Daar sprak de tuchtrechter zich leerstellig uit: hoe moeten met dit soort problemen omgaan? Dat is leerzaam.’

Genoegdoening

Het tuchtrecht is niet bedoeld om klagers genoegdoening te bieden. Niettemin is dat soms wel de drijfveer van cliënten die zich benadeeld voelen door hun advocaat. Dat ziet ook Noa de Leon-van den Berg, secretaris van Disciplina, de Nederlandse Vereniging van Tuchtrechtadvocaten. Het verwachtingspatroon van de rechtzoekende die een tuchtzaak start is vaak niet goed, zegt ze. ‘Van oorsprong heeft het tuchtrecht een interne werking. Je ziet nu echter dat het steeds meer een externe werking krijgt, omdat de maatschappij verlangt dat in bepaalde situaties hard wordt opgetreden tegen advocaten.’

De tuchtrechter kan een advocaat niet dwingen tot schadevergoeding aan een benadeelde cliënt, die rol is voorbehouden aan de civiele rechter. Niettemin kan dat best soelaas bieden, menen diverse partijen. Geldboetes, tot dusver maar drie (!) keer uitgedeeld, moeten sowieso vaker worden opgelegd, stelt Van Dijk. ‘Een berisping of schorsing doet vaak te weinig. We moeten naar boetes, dat snappen ze. Bij een schorsing gaan ze een maand op vakantie met het gezin en daarna weer gewoon door.  Maar als je een boete van drie mille krijgt, voel je dat als kleiner kantoor. Dan denk je Potdomme, dat doe ik geen tweede keer.’

Sanders en deken Henrichs maken van de geldboete liever een schadevergoeding. ‘Een geldboete gaat naar de staat, daar ziet de klager geen stuiver van terug’, zegt Sanders. ‘Met een schadevergoeding compenseer je de gedupeerde.’ Henrichs: ‘Laatst had ik een tuchtzaak waarin een advocaat een voorschot had gekregen, maar niets had ondernomen. Een schadevergoeding bespaart de cliënt de moeite om zijn geld via de kantonrechter terug te halen.’

In de praktijk gaat het al mondjesmaat die kant op, schetst rechter Van Osch. Een gewone geldboete vergroot de problemen voor een advocaat alleen maar, zeker als de praktijk toch al niet goed rendeert. Maar strategisch toegepast, is het een bruikbaar instrument. ‘Met geldboetes, die pas sinds een paar jaar mogelijk zijn, gaan we nog voorzichtig om. We zijn geen strafrechters. We gebruiken ze in toenemende mate als nevenmiddel, bij voorbeeld om een onterechte declaratie terug te laten betalen. Dan geven we de advocaat een keus: of je betaalt een stuk van de declaratie terug of je betaalt een geldboete die hoger is.’

Beroepseer

Noa de Leon-van den Berg waarschuwt dat het straffend karakter niet de boventoon mag gaan voeren. ‘De psychologische impact van een procedure is enorm. Denk aan de stress van een zitting en een mogelijke maatregel, waardoor je in je beroepseer wordt aangetast. Dat gaat je niet in de kouwe kleren zitten.’

Het is een van de redenen waarom zij zich groot voorstander toont van mediation, zodat een tuchtzaak kan worden vermeden. ‘In het merendeel van de zaken is de communicatie tussen de advocaat en zijn cliënt in het geding. Vaak is er iets misgegaan in het contact, waardoor een cliënt zich niet gehoord voelt of vindt dat een advocaat anders had moeten reageren. Dat type zaken wil je niet bij de raad van discipline. Daar ga je de onvrede van de cliënt niet wegnemen. Terwijl mediation zich daar juist heel goed voor leent.’

Het psychologisch effect van een tuchtzaak wordt unaniem onderschreven. Het is spitsroeden lopen voor de verweerder. ‘Advocaten vinden het heel zwaar om de gang naar de tuchtrechter te maken’, stelt Henrichs. ‘Ze weten dat hun nieren worden geproefd.’

Hoewel een tuchtrechter geen straf, maar een maatregel oplegt, voelt dat wel zo, zegt Van Osch. ‘Maatregelen worden zeker ervaren als straf. Je kunt moeilijk volhouden dat een geldboete geen straf is. Voor schorsingen en schrappingen is dat helemaal evident, dan raak je iemand in de uitoefening van zijn beroep. Ik denk dat nagenoeg alle advocaten het heel erg vinden als ze een klacht tegen zich krijgen en helemaal als die gegrond wordt verklaard.’

(Het artikel gaat verder onder het kader)

Het effect van een tuchtklacht

Psycholoog Martin Appelo deed onderzoek naar het effect van tuchtrechtelijke klachten op artsen. ‘De confrontatie met een klacht en het tuchtrecht komt meestal als een donderslag bij heldere hemel en de daaropvolgende procedure levert bijzonder veel werk en stress op,’ schreef Appelo eerder dit jaar in het Tijdschrift Tuchtrecht (aflevering 1, jaargang 3). Zorgverleners die te maken krijgen met het tuchtrecht vallen vaak ten prooi aan psychische en lichamelijke gezondheidsklachten, constateert Appelo. ‘Soms treden er zelfs symptomen op van een posttraumatische stressstoornis die iemand in het dagelijks functioneren ernstig kunnen belemmeren.’

Hoewel het tuchtrecht bedoeld is om de kwaliteit te verbeteren en niet om te straffen, ervaren de verweerders dat anders, stelt Appelo. ‘Naast de ervaring te worden gestraft, voelen professionals zich door opgelegde maatregelen miskend of aan de schandpaal genageld. Dit geldt zeker wanneer de uitslag met naam en toenaam openbaar wordt gemaakt.’

Volgens de psycholoog schiet het medisch tuchtrecht zijn doel vaak volledig voorbij. Daar waar het kwaliteitsverbetering beoogt, resulteert het bij de meeste zorgverleners in psychische klachten en een enorme reductie van het werkplezier. ‘Creativiteit en spontaniteit maken plaats voor een rigide en defensieve houding. Ze gaan risico’s uit de weg, geven dwingende patiënten eerder hun zin en verwijzen moeilijke casussen sneller door.’

Coaching

Terug naar het begin van dit artikel. In de tuchtzaak die daar wordt opgevoerd, krijgt de advocaat verplichte coaching opgelegd.  Die maatregel wint terrein en krijgt bijval, onder meer bij tuchtrechtadvocaat Liselotte van Gaalen, ook bestuurslid van Disciplina. Volgens haar is coaching effectiever dan andere maatregelen. ’Mijn ervaring is dat mensen redelijk verlamd zijn in hun beroepsuitoefening als ze een maatregel opgelegd krijgen en dat ze dat lange tijd met zich meedragen. Als je gecoacht wordt en je leert hoe je iets kunt aanpassen in je praktijkvoering, dan werkt dat veel constructiever.’

Het is zeker geen gemakkelijke escape, weet medebestuurder De ­Leon-van den Berg. ‘Een coachings­traject is een serieuze zaak. Je moet er tijd en geld in steken, je openstellen en rekening houden met terugkoppeling naar de deken of de raad. Dat is niet niks.’

Ook Van Osch ziet in coaching een probaat middel om zowel advocaat als klager te helpen. Het sluit ook prima aan bij de toenemende aandacht voor de kwaliteit van de dienstverlening, meent hij. ‘Advocaten ondervinden in het leven soms tegenslag, waardoor ze hun werk niet goed doen. Dan kun je zeggen dat ze eruit moeten. Je kunt ze ook de mogelijkheid bieden onder toezicht en begeleiding hun zaken weer op orde te krijgen. Dat is natuurlijk altijd een eindig traject. Als het daarna niet beter is, moet je andere maatregelen treffen.’

Om zijn woorden te onderstrepen stuurt Van Osch kort voor de deadline van dit nummer een recente uitspraak van de raad Arnhem-Leeuwarden toe. Op 12 augustus wordt een advocaat in Noord-Nederland van het tableau geschrapt, nadat coaching niet tot resultaat leidde. Voorzitter van het tuchtcollege: Tijn van Osch.

Kees_Pijnappels-16-07-14-51a

Kees Pijnappels

Hoofdredacteur

Profiel-pagina
foto-Stijn-Dunk

Stijn Dunk

Redacteur Advocatenblad

Profiel-pagina
Advertentie