Een opleiding die nieuwe generaties advocaten optimaal voorbereidt op hun toekomst en beter tegemoetkomt aan vragen van rechtzoekenden. Dat is het doel van de nieuwe beroepsopleiding, ook wel BA2020 genoemd. 

De algemene raad houdt vast aan één baliebrede opleiding. Ethiek gaat een belangrijke rol spelen. De opleiding richt zich minder op juridisch-inhoudelijke kennis en meer op vaardigheden. Het accent verschuift van cognitieve toetsen naar praktijkgerichte toetsmomenten, onder andere in de vorm van moot courts. 

Aanvankelijk was het de bedoeling een toelatingstoets voor de beroepsopleiding in te voeren. Dat plan is, mede door kritiek vanuit het college van afgevaardigden, aangepast. Iedere advocaat-stagiair kan met de beroepsopleiding starten. De NOvA gaat ervan uit dat elke stagiair op de universiteit voldoende juridisch-inhoudelijke kennis heeft opgedaan. 

De advocaat-stagiair kan op twee manieren aantonen over voldoende kennis te beschikken. Voorafgaand aan de beëdiging kan de stagiair een vrijwillige basistest doen. Na ­beëdiging volgt sowieso een verplichte basistest. De testen zijn geen selectiemiddel, maar uitsluitend bedoeld om het kennisniveau te meten, aldus de NOvA. Als blijkt dat het basisniveau op onderdelen niet wordt bereikt, krijgt de stagiair gericht studie­advies. 

De duur van de opleiding gaat naar twee jaar (dat is nu drie maanden meer), het aantal dagdelen daalt met 35 procent naar 105 dagdelen. De eerste nieuwe lichting stagiairs start in het voorjaar van 2021. 

‘De begroting wordt node gemist’

Heleen-Klatter-Bert-Buiring-Fotografie-Veendam-klein
Heleen Klatter Beeld door: Bert Buiring Fotografie Veendam

Heleen Klatter, advocaat bij Advocaten- & Mediationpraktijk Klatter in Veendam 

Meer focus op toegepaste kennis, vaardigheden en ethiek is een noodzakelijke vernieuwing.’ Dat vindt advocaat Heleen Klatter van Advocaten- & Mediationpraktijk Klatter in Veendam in het algemeen van de nieuwe beroepsopleiding. Ook de lagere studiebelasting en een kortere duur van de opleiding ondersteunt ze van harte. Wel zijn er bij de advocaat zorgen over het kostenplaatje. 

Klatter maakte in 1992 de overstap van het Bureau voor Rechtshulp naar de advocatuur. Ze volgde de beroepsopleiding indertijd met plezier. ‘De opleiding werd toen nog regionaal georganiseerd, wat in vergelijking met nu veel reistijd scheelt. Ze werd gegeven door ervaren advocaten, was voor iedere advocaat gelijk en praktijkgericht. Ik heb het als een groot voordeel ervaren om samen met stagiairs van andere kantoren opgeleid te worden. Als beginnend strafrechtadvocaat mocht ik de opleiding volgen van de gebroeders Anker; een betere opleiding kun je je niet voorstellen.’ 

Klatter vindt het van belang dat er door middel van gemengde groepen zo baliebreed mogelijk wordt opgeleid. ‘Ik begrijp de lobby van de grote kantoren, maar ik ben en blijf nog steeds een voorstander van een door de orde georganiseerde gelijke beroepsopleiding voor alle stagiairs.’ 

Over de invoering van een basistoets is het lid van het college van afgevaardigden stellig. ‘Daar ben ik, en met mij veel leden van het college, pertinent tegen. Aangezien ongeveer negentig procent van de stagiairs slaagt voor de opleiding is er geen enkele reden om een toetsing voorafgaande aan de beroepsopleiding te laten plaatsvinden. De toetsing vindt gedurende de opleiding plaats.’ 

Volgens Klatter heeft navraag bij docenten en stagiairs geleerd dat niveauverschillen niet als hinderlijk worden ervaren. Daarnaast voorziet ze arbeidsrechtelijke problemen voor stagiairs die een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en niet worden toegelaten tot de opleiding. Ook worden mindervermogenden geconfronteerd met extra kosten om zich te bekwamen in de vakken van de toelatingstoets. ‘Hierbij bestaat het risico dat dit als selectie in de procedure gebruikt wordt.’ 

Klatter maakt zich in het algemeen zorgen over de kosten van de beroepsopleiding. ‘Het is goed dat de algemene raad onderzoek gaat doen naar een vorm van subsidieregeling voor de sociale advocatuur, maar het is zorgwekkend dat de raad geen taakstelling omtrent de kosten aan zichzelf heeft opgelegd. Bijvoorbeeld dat de totale kosten van de beroepsopleiding dertig procent lager moeten liggen. In wezen is er een opdracht gegeven aan een architect om het gebouw van de beroepsopleiding neer te zetten, maar de begroting daarvan wordt node gemist.’ Volgens Klatter moet het kostenaspect inzichtelijk gemaakt worden voordat een definitieve beslissing genomen kan worden. ‘Ook gezien de veel te dure huidige opleiding.’ 

‘Belangrijk dat onze stagiairs in gemengde groepen zitten’

Smits-en-van-der-sluis
Pieter Smits en Luitzen van der Sluis

Pieter Smits (directeur) en Luitzen van der Sluis (partner), DVDW Advocaten (vestigingen in Rotterdam en Den Haag)

Het baliebrede karakter, een meer praktijk- en toepassingsgerichte opleiding, het verstevigen van de betrokkenheid van de patroon en de verbeterde aandacht voor digitale vaardigheden. Dat zijn volgens Pieter Smits en Luitzen van der Sluis, respectievelijk directeur en partner bij DVDW Advocaten, de positieve punten van de nieuwe beroepsopleiding. Wel leven er nog veel vragen bij de twee. 

Zo vraagt Van der Sluis zich af hoe de patroonsrol eruit gaat zien. ‘Bij ons op kantoor is het al jaren beleid dat nieuwe patroons een verplichte cursus volgen. Een goede advocaat is niet per definitie een goede opleider.’ Maar volgens hem moet het niet blijven bij alleen een patroonscursus. ‘Het gaat om de wisselwerking tussen de opleiding en de training on the job.’ Smits vult aan: ‘Het is algemeen bekend dat men zeventig procent leert van praktijkervaringen op de werkvloer, twintig procent door interactie met anderen en van de begeleiding van een patroon of mentor en tien procent door klassiek te leren in de vorm van cursussen of trainingen. Door slim om te gaan met de verbinding tussen de beroepsopleiding en het werken en leren in de praktijk op kantoor kunnen we stagiairs beter en effectiever opleiden. Hier ligt de uitdaging.’ 

Smits prijst de NOvA voor het feit dat er aandacht komt voor digitale vaardigheden. ‘Ik ben benieuwd wat dat betekent en of ze universiteiten en hogescholen volgen die vaardigheden aanleren met behulp van het 21-eeuws model: een set aan vaardigheden die leerlingen in het onderwijs nodig hebben om te kunnen leven, leren en werken in de 21e eeuw. Wat mij betreft moet de opleiding volgens dit model aandacht besteden aan ICT-basisvaardigheden, mediawijsheid, informatievaardigheden en computational thinking.’ 

Smits en Van der Sluis vinden het belangrijk dat de orde vast heeft gehouden aan een baliebrede opleiding. ‘Dat is voor ons als middelgroot kantoor een goed uitgangspunt,’ stelt Smits. ‘We vinden het belangrijk dat onze stagiairs in gemengde groepen zitten om elkaars praktijken te leren kennen, andere stagiairs te zien en van elkaar te leren.’ 

Het feit dat de nieuwe beroepsopleiding de focus legt op vaardighedenonderwijs vinden Smits en Van der Sluis niet verkeerd, maar er zijn wel zorgen over hoe de orde het basiskennis­niveau gaat waarborgen. ‘De achilleshiel van deze operatie is hoe het minimumkennisniveau van een startende advocaat wordt bepaald en getoetst,’ zegt Smits. ‘Stagiairs moeten een bepaald kennisniveau hebben wanneer zij starten met de opleiding, helemaal als de opleiding meer praktijkgericht wordt en minder ziet op vakinhoudelijk onderwijs.’ 

Van der Sluis en Smits zijn in dat kader heel benieuwd waar de basistoets uit gaat bestaan. Van der Sluis: ‘Ik kan me zo voorstellen dat een stagiair die een bestuursrechtelijke rol ambieert een heel andere toets moet maken dan een strafrechtadvocaat. Wordt er op alle velden getoetst, waar bestaat een aanbeveling uit en wat zijn de gevolgen als zo’n aanbeveling niet gevolgd wordt? Daar zitten nog veel vragen.’ 

‘Geen verplichte basistoets is gemiste kans’

Brechje-van-der-Velden-2
Brechje van der Velden

Brechje van der Velden, senior partner Allen & Overy in Amsterdam

Dat er geen verplichte basistoets komt, is een gemiste kans.’ Brechje van der Velden, partner bij Allen & Overy in Amsterdam en voorzitter van de Law Firm School, denkt dat beginnend advocaten met de invoering van een verplichte basistoets beter weten welke kennis er van hen wordt verwacht. ‘Het aanbod van universiteiten is nu erg gevarieerd en het zou goed zijn als jonge advocaten van tevoren gedwongen worden kennis op te halen als ze die op de universiteit niet hebben verkregen.’ 

Zo’n juridisch inhoudelijke inhaalslag hoort volgens Van der Velden niet in de beroepsopleiding thuis. De huidige opleiding is wat haar betreft te omvangrijk en te veel een herhaling van de universiteit. Ze vindt het daarom goed dat de beroepsopleiding vernieuwd wordt. ‘Laten we daarbij vooral niet vergeten dat je het vak van advocaat niet uit een boekje kunt leren. Advocaat zijn leer je in de praktijk, van de advocaten om je heen.’ Pas in de specialisatie als onderdeel van de permanente opleiding heeft het volgens haar weer zin om inhoudelijk de diepte in te gaan. ‘Dan kun je het met praktijkervaring combineren.’ 

Van der Velden volgde zelf de beroepsopleiding in 1997. Die bestond toen volgens haar uit een aantal vrijdagen in een warm lokaal colleges en voor de examens snel een boekje uit je hoofd leren. ‘Toch vond ik het ook toen al verrijkend om met advocaten uit allerlei soorten praktijken bij elkaar te komen. Het is goed dat we met de nieuwe beroepsopleiding die baliebrede basis hebben weten te behouden en dat er tegelijkertijd meer oog is voor de verschillen tussen de praktijken.’ 

We moeten oppassen dat we iedereen hetzelfde willen leren, zegt Van der Velden. ‘De verschillen tussen de praktijken worden steeds groter. Dat is niet erg, maar we moeten niet blijven doen alsof die niet bestaan.’ Dat er meer aandacht komt voor beroeps­ethiek vindt Van der Velden goed. ‘Ook het optreden van advocaten ligt tegenwoordig onder een vergrootglas. Het is belangrijk dat de hele beroepsgroep doordrongen is van haar taken en verantwoordelijkheden. Dat komt ook het begrip in de buitenwereld voor de maatschappelijke rol van de advocaat ten goede. Beroepsethiek is de gemeenschappelijke basis van iedere advocaat. We kunnen op dat vlak juist leren van ervaringen in verschillende praktijken.’ 

Wat betreft het gemeenschappelijk aanleren van basisvaardigheden spreekt Van der Velden van een worsteling. ‘Natuurlijk moeten we allemaal weten hoe we voor de rechter staan, maar er is helemaal niets mis mee dat praktijken, kantoren en individuele advocaten van elkaar verschillen in de manier van schrijven, spreken of handelen.’ De moot courts vindt ze overigens een grote vondst. ‘Het brengt alles wat je hebt geleerd, zowel in de boeken als in de praktijk, bij elkaar. Dat is precies wat dit vak zo leuk maakt.’ 

F3I2124-kleiner

Francisca Mebius

Redacteur

Profiel-pagina
Advertentie