De Tilburgse advocaat Jack Linssen werd onlangs onaangenaam verrast. ‘Ik trad op voor een arts wiens professionele naam zonder zijn instemming was gebruikt. Vooraf hadden we samen de conclusie van antwoord van de wederpartij doorgenomen. Mijn client had wel vijfentwintig rake opmerkingen in de kantlijn gezet. Via de oproepingsbrief horen wij plotseling van de rechter dat we maximaal tien minuten spreektijd krijgen. Op zitting kwamen diverse nieuwe aspecten uit de conclusie niet aan de orde. Het volstrekte onbegrip was van het gezicht van mijn cliënt te lezen: “Wat gebeurt hier?” Dat gevoel heb ik dan als advocaat ook.’

Linssen is duidelijk ongelukkig met de steeds marginalere plek die het klassieke pleidooi krijgt toebedeeld in de civiele procedure. Stap voor stap hebben wetgever en rechter de afgelopen decennia de ruimte ingeperkt voor civiele advocaten die het verhaal van hun cliënt uitgebreid over het voetlicht willen brengen. Deze zomer werd de nieuwste stap (zie kadertekst) gezet toen de Tweede Kamer een reeks vernieuwingen binnen het civiele procesrecht goedkeurde. Die gaan waarschijnlijk per 1 oktober 2019 in. Opvallend onderdeel: de afschaffing van het pleidooi als afzonderlijke proceshandeling. Dat klinkt dramatischer dan het is: civiele advocaten behouden het recht om zaken mondeling toe te lichten. Wel wordt de speelruimte kleiner om een uitvoerig pleidooi te houden.

Voorgefabriceerd

‘Afschaffing’ van het pleidooi

Meer ruimte voor de ‘mondelinge behandeling’ op zitting. De afschaffing van het pleidooi als afzonderlijke proceshandeling. Dat zijn enkele elementen uit de wetswijziging die de Tweede Kamer in juni dit jaar aannam. Het wetsvoorstel maakt onderdeel uit van de zogeheten KEI-wetgeving, waar naast digitaal procederen ook andere vernieuwingen binnen het civiele procesrecht werden doorgevoerd. Zoals een grotere regie van de rechter bij het voorbereiden en invullen van de mondelinge behandeling in een civiele zaak. Zo kan de rechter besluiten partijen ‘gelegenheid te geven hun stellingen nader toe te lichten’. Verder kan hij partijen ‘verzoeken hem inlichtingen te geven’. Dit komt in de plaats van het pleidooi als afzonderlijke formele handeling. Als ook de Eerste Kamer akkoord gaat, worden de veranderingen opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aanpassing van de wet is voorzien op 1 oktober.

‘Het klassieke pleidooi is hard op weg een fossiel te worden,’ concludeert bijzonder hoogleraar Rechtspleging Margreet Ahsmann, tot voor kort civiel rechter bij de Rechtbank Den Haag. Die ontwikkeling is al medio twintigste eeuw ingezet, vertelt ze. ‘Het ouderwetse pleidooi heeft flink aan belang ingeboet, ten gunste van de comparitie. Het belang van de interactie tussen rechter en partijen neemt toe. Daar past een statisch pleidooi met een voorgefabriceerde pleitnota niet goed in.’ Voor Ahsmann gaat het om een positieve trend: de van oudsher sterk schriftelijke en relatief starre civiele procedure krijgt zo een groeiend mondeling en dynamisch karakter. ‘Dat heeft bijgedragen aan waarheidsvinding en aan minder polarisatie. Daardoor zijn er meer zaken waar partijen er samen uitkomen. In aanmerkelijk kortere tijd bovendien.’

Van een betere dialoog tussen partijen en advocaten op zitting is ook Linssen een voorstander. Toch vraagt hij zich af waarom een oude verworvenheid wordt weggegooid, terwijl onvoldoende duidelijk is wat ervoor in de plaats komt. ‘Er wordt een groot kruis door het pleidooi gezet, maar het alternatief lijkt verre van zaligmakend. Alles wordt vooralsnog in een potje gegooid met het etiket “mondelinge behandeling” zonder dat rechters, advocaten of justitiabelen het helemaal begrijpen. Ik merk aan mijn cliënten dat bij hen soms onzekerheid troef is, ze weten niet wat ze kunnen verwachten.’ Dat geldt volgens Linssen eveneens voor zijn jonge collega’s. ‘Die zullen minder makkelijk dan ik in discussie durven met een meervoudige kamer over het aantal spreekminuten. Terwijl dat wel nodig is. Om toelichting te kunnen geven op onderbelichte punten.’

Niet alle advocaten van de nieuwe generatie maken zich zorgen. Van Sophie Streng, dit voorjaar beëdigd bij advocatenkantoor RESOR aan de Zuidas, zou je het eigenlijk verwachten. Als kersverse winnares van de jaarlijkse Amsterdamse pleitwedstrijden heeft ze een voorliefde voor het retorische ambacht. ‘Ik vind het heerlijk me vast te bijten in een lastige casus, grondig uit te zoeken wat de argumenten zijn, er een verhaal bij maken en dat overtuigend te vertellen tijdens het pleidooi.’

Toch laat Streng weinig tranen om de marginalisering van het klassieke pleit. ‘Ik vind het achterhaald. Wanneer je een uitvoerig pleidooi nodig hebt als advocaat, heb je vaak iets niet goed gedaan. Wat vooral nodig is om een zaak te winnen, is de zaak helder neerzetten in je schriftelijke stukken en daarna op zitting mondeling adequaat reageren op de rechter en de wederpartij.’

Dat klinkt Ahsmann als muziek in de oren. Als rechter slaat zij het liefst spijkers met koppen tijdens het gesprek met partijen en hun advocaten op zitting. ‘Vaak blijkt de vork net iets anders in de steel te zitten dan op papier lijkt. Dan is er geen probleem over de koopprijs of blijken bepaalde documenten wel beschikbaar.’ Voor de advocaat valt er binnen deze moderne aanpak nog genoeg eer te behalen, is haar ervaring. ‘Advocaten moeten hun mondelinge vaardigheden meer dan ooit met verve gebruiken. Niet via een lang pleidooi, wel door goed te luisteren. Door op juiste toon de rechter waar nodig te corrigeren en aan te vullen. Door voor je cliënt effectief te onderhandelen over een schikking.’

Losse pols

Juist op dat punt won Streng de pleitwedstrijden, is haar overtuiging. ‘Mijn inleidend betoog ging best oké, maar de repliek op mijn tegenstander ging echt goed. Hij beweerde enkele dingen die niet klopten en dat heb ik uit de losse pols weerlegd. Deze interactie gaf voor mijn gevoel de doorslag.’

Ook Linssen heeft een voorkeur voor het spontaan en eloquent reageren in de zittingszaal. Toch blijft hij kritisch over het keurslijf waarin het pleiten gegoten wordt. Daardoor staat, vindt hij, een belangrijk principe op het spel: de waarheidsvinding. ‘Als je minder spreektijd krijgt, kun je niet altijd goed reageren op nieuwe feiten die de wederpartij inbrengt. Binnen tien minuten reageren op een conclusie van antwoord van 38 kantjes is niet te doen.’

De groeiende hang naar efficiency in de rechtspraak is volgens Linssen schadelijk voor de kwaliteit van de rechtspraak. ‘Naast het pleidooi van de advocaat worden ook het getuigenverhoor en het deskundigenbericht gezien als vertragend. Terwijl beide soms onontbeerlijk zijn voor een goed begrip van de zaak. Anders komt het recht op een eerlijk proces in het geding, zoals vastgelegd in artikel 6 van het EVRM.’

Slaapverwekkende pleiters

Daar staan volgens Ahsmann stevige minpunten voor het klassieke pleidooi en de pleitnota tegenover. ‘De pleitnota wordt voorafgaand aan de zitting geschreven,’ legt ze uit. ‘Alles wat op zitting wordt gezegd, is er dus niet in verwerkt. Op zitting wil je het geschil de wereld uit helpen. Maar op het moment dat een advocaat zijn pleitnota voorleest, zet je letterlijk een stap terug. Dat draagt niet bij aan een oplossing.’

Het romantische beeld van de briljant pleitende advocaat strookt bovendien niet met de nuchtere werkelijkheid, meent zowel Ahsmann als Streng. ‘Advocaten hebben de neiging lange pleitnota’s te schrijven,’ aldus Streng. ‘Arme rechter. Dertig minuten pleiten, dat is zo lang als een gemiddelde Netflix-­aflevering.’ Al in de negentiende eeuw klaagden rechters over de ‘langweiligheid’ van pleiters, vertelt Ahsmann. ‘Eloquent is het eigenlijk nooit geweest. Het is vaak de klassieke herhaling van zetten en saai: van papier voorgelezen, zonder intonatie. Zelf schopte ik als rechter weleens onder tafel tegen mijn enkels om alert te blijven.’

pleiter

Toch heeft ook de nieuwe manier van werken zijn schaduwzijde, erkent Ahsmann. Net als bij vorige wetswijzigingen heeft de wetgever in haar ogen verzuimd om heldere criteria te formuleren voor de inrichting van de mondelinge behandeling. Heeft een partij recht op het voorlezen en indienen van een pleitnota? Wanneer precies is een pleidooi nog wel toegestaan? ‘Dit is vaak te onduidelijk. Hierdoor hangt het sterk van de individuele rechter af welke en hoeveel ruimte een advocaat krijgt. Dat is niet bevorderlijk voor de rechtseenheid.’

Dat merkt advocaat Linssen aan den lijve: ‘De ene rechter geeft heel elegant en vriendelijk een ruime uitleg aan de wet, terwijl de ander heel krampachtig de volstrekte regie wil houden. De verschillen zijn enorm en dat is niet gezond.’

Autonomie advocaat

Er is nog een reden voor Linssen om huiverig te zijn. ‘Het gaat hier om een heel fundamentele kwestie,’ benadrukt hij. ‘Uiteraard staat de rechter aan het roer, maar tijdens een pleidooi heeft de advocaat wat meer speelruimte. In de nieuwe setting is de rechter bijna allesbepalend.’ Dat dreigt de balans tussen advocaat en magistraat te verstoren, waarschuwt Linssen. ‘Toen ik in 1996 mijn praktijk begon, bepaalden de advocaten of er een pleidooi plaatsvond. Nu is die regie aan de rechter. Ik vind het heel merkwaardig dat daar nauwelijks discussie over is: het gaat tenslotte om de principiële vraag hoe autonoom de advocaat kan opereren. Met name ook in complexe zaken.’

Streng en Ahsmann zijn optimisti­scher over het mondelinge optreden van de nieuwe lichting. Streng gaf recent met een collega een workshop comparitie-na-antwoord bij een pleitgenootschap van studenten. ‘Juist omdat het klassieke pleidooi steeds meer op de achtergrond raakt. We hebben ze geleerd flexibel om te gaan met vragen van de rech­ter en te onderhandelen over een schikking. Dat vonden ze wennen, maar ze leerden snel.’

Leren improviseren

Ahsmann was als adviseur betrokken bij de beroepsopleiding voor advocaten en die voor rechters. Wat haar betreft, krijgt de klassieke moot court in de rechtenstudie en advocatenopleiding een meer comparitieachtige setting: ‘Inclusief het interactieve en dyna­mische aspect van een eigentijdse zitting. Geef het dossier een minder belangrijke rol in de voorbereiding. Voeg op het laatste moment nieuwe informatie toe waar studenten improviserend op moeten reageren. Zo maak je van het nieuwe pleiten de verbetering zoals door de wetgever is bedoeld.’

foto-Stijn-Dunk

Stijn Dunk

Redacteur Advocatenblad

Profiel-pagina
Advertentie