Deken mr. X kreeg een klacht binnen van een advocaat en diens cliënt. Volgens hen had de advocaat van de wederpartij in een procedure ten onrechte confraternele correspondentie overgelegd. De deken stelde een bemiddelingsgesprek voor, maar daar wilde de cliënt niets van weten. De klagende advocaat was wel bereid tot een gesprek, maar het lukte niet op korte termijn een gesprek te beleggen. Dan, zei de deken, zal ik de klacht schriftelijk voortzetten.

Maar na een tweede schriftelijke ronde standpunt-uitwisselingen schreef de deken de advocaten wederom dat hij een gesprek wilde beleggen. De klagende advocaat meldde dat zijn mede-klagende cliënt daar niet bij kon zijn: hij was als beroepsmilitair voor langere tijd in het buitenland.
De deken betreurde dat de cliënt er niet kon zijn, hij wilde partijen nog horen. Dat de cliënt daar geen gebruik van wilde maken was zijn keus, aldus de deken.

Intussen deden de advocaten een poging om er onderling uit te komen, maar die mislukte. De deken herhaalde nog maar eens hoe jammer het was dat het overleg bij hem niet door was gegaan. Te meer, zo schreef hij, omdat hij zich afvroeg of de klacht van de cliënt wel stand zou houden omdat confraternele correspondentie alleen advocaten betreft.

Er waren inmiddels sinds de indiening van de klacht zo’n vier maanden verstreken en de klagende cliënt had er nu echt genoeg van. Hij diende een klacht in tegen de deken.

Bij de raad van discipline ‘s-Hertogenbosch werd duidelijk dat deken mr. X vooral bezig was geweest met de twee advocaten, beiden nog stagiairs. Hij had zorgen over hoe zij met elkaar omgingen. Begrijpelijk, vindt de raad, maar mr. X was daarbij ten onrechte aan het eigen klachtrecht van de cliënt voorbij gegaan. Die had immers gezegd geen bemiddeling te willen en had mogen verwachten dat mr. X zijn klacht vervolgens schriftelijk binnen de termijn van acht weken zou afronden.

Daarnaast verweet de klager mr. X terecht een gebrek aan juridische kennis (uit de jurisprudentie blijkt dat ook cliënten kunnen klagen over kwesties rond confraternele correspondentie). Verder was het onnodig grievend om te zeggen ‘dat het zijn eigen keus was’ om – zeg maar – niet even uit Mali of Afghanistan over te komen voor een gesprek met de deken. De deken kreeg een waarschuwing, maar appel staat nog open.

 Als een klager aan het begin van de rit wil dat de klacht meteen wordt doorgestuurd naar de tuchtrechter, moet de deken dat doen (artikel 46c lid 2 Advocatenwet). In de andere gevallen moet de  deken proberen klachten in der minne op te lossen, zegt artikel 46d Advocatenwet. Die ‘zeeffunctie’ van de deken is goed: klachten oplossen is mooier dan ze uitvechten. Maar te lang dralen lijkt op afhouden, en dat doet het vertrouwen van klagers in ‘het systeem’ natuurlijk geen goed. Deze uitspraak zet dat even scherp neer.

Trudeke

Trudeke Sillevis Smitt

Freelance redacteur

Profiel-pagina
Advertentie