Mies westerveld
Beeld door: Jiri Büller

Als het aan haar lag, zou de bijzondere leerstoel die ze twaalf jaar lang aan de UvA bekleedde ‘Toegang tot het recht’ hebben geheten. Dat zou een betere omschrijving van haar vak- en onder­zoeksgebied zijn geweest dan het nogal gedateerd klinkende ‘Sociale Rechtshulp,’ vindt Mies Westerveld (66). ‘Ik kreeg van het begin af aan te horen: Sociale rechtshulp, dat is toch iets uit de jaren zeventig? Dan sta je dus eigenlijk al met 2-0 achter.’ 

Alleen: het lag niet aan haar, maar aan de Raad voor Rechtsbijstand, die de leerstoel sinds 2007 finan­cierde. Ze liet ze het er maar bij zitten, al nam ze de term Toegang tot het recht, vooral de laatste jaren, ‘pr-­matig’ graag in de mond. Die term omvat niet alleen de sociale rechtshulp of de sociale advocatuur. ‘Het is breder dan alleen maar “er zijn procedures” en “mensen krijgen een goede advocaat” of een eerlijke ­rechter. Het gaat ook over de eerlijk­heid van het rechts­systeem, over rechtvaardigheid. Over het feit dat je het als sollicitant veel moeilijker hebt om een baan te krijgen als je zwart bent. Dat heeft niks meer met rechtshulp te ­maken, maar met de vraag: in wat voor samen­leving wil je leven? Dat onder­werp is veel groter, maar ook iets waar rechters en advocaten maar heel ­beperkt iets aan kunnen doen.’ 

Imagoprobleem

Toen ze aan de UvA begon, was het een beetje zoeken, maar ze was vrij om de leerstoel naar eigen inzicht in te richten. ‘Ik heb toen het vak Sociale Rechtshulp ontwikkeld, waarmee ik studenten in verbinding wilde brengen met de sociale advocatuur, maar ook met het Juridisch Loket, rechtsbijstandverzekeraars en de Raad voor Rechtsbijstand. Het heeft een paar jaar gelopen maar er was toch onvoldoende belangstelling voor, dus werd het vak opgeheven. Dat was wel een beetje frustrerend.’ 

Hoe dat kwam? Lange stilte. ‘Er is natuurlijk een brede waaier aan vakken waar studenten uit kunnen kiezen. Je hebt wel een segment studenten die geïnteresseerd zijn, en maatschappelijk betrokken. Maar dat is altijd toch wel de minderheid. De meesten kiezen heel calculerend: wat betekent het voor mijn latere carrière­perspectief? En ik denk dat het vak Sociale Rechtshulp toch onvoldoende overkomt als: dat moet je doen want het staat fantastisch op je cv.’ 

Het imagoprobleem dat de sociale advocatuur kennelijk heeft, klinkt door in de discussie die volgens haar nu speelt: wat is nog het bestaansrecht van sociaal advocaten? ‘Die discussie begon al in 2012, toen toenmalig staatssecretaris Teeven zei dat het stelsel de grenzen van de houdbaarheid had bereikt. Dat was eigenlijk een oorlogsverklaring aan de gesubsidieerde rechtsbijstand zoals we die kennen. Sindsdien is de tendens vanuit het ministerie: we hebben te veel advocaten die zich op het domein van die gesubsidieerde rechtsbijstand begeven en veel werk wat die advocaten doen, kan ook op een andere manier gedaan worden.’ 

Deels klopt dat wel: advocaten dóén ook niet-advocatuurlijk werk. ‘Maar dat is onvermijdelijk omdat ze moeten werken in een realiteit die de overheid heeft gecreëerd. Als je helemaal overnieuw zou moeten beginnen met een systeem te ontwik­kelen, zou je misschien een om­geving kunnen ontwerpen waarin je minder juridische valkuilen stopt.’ 

Wensdenken

Waarmee we over de hervormingsplannen van minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker komen te spreken die, inderdaad, zo’n soort omgeving voor ogen lijkt te hebben. Een vorm van ‘wensdenken’, noemde ze diens plannen in een artikel in de jongste S&D, het huisblad van de Wiardi Beckman Stichting. ‘Neem het idee dat het aantal procedures tegen de overheid zal afnemen als overheidsorganen de burger wat begripvoller tegemoet treden: dat heeft Albayrak in 2008 ook al eens geprobeerd. Dat wordt zwaar overschat. Volgens Dekker zijn advocaten te veel geneigd om problemen te juridiseren. En het systeem daagt hen ook uit om dat te doen. Maar je kunt ook zeggen: het zit niet alleen in het systeem, de politiek doet het ook. Kijk bijvoorbeeld naar het socialezekerheidsrecht, daar weet ik dan toevallig veel van (sinds 2010 is ze ook hoog­leraar socialeverzekeringsrecht aan de UvA, red.) Mán! Het staat bol van de juridische valkuilen en geniepigheidjes. Een goedwillend maatschappelijk werker komt daar niet uit – je hebt echt iemand nodig die alle juridische ins en outs kent en op de juiste momenten de juiste juridische stappen zet. Ik denk dat je over huurrecht eenzelfde soort verhaal kunt houden. Dus het ligt niet zozeer aan de advocaten, het zit ingebakken in het systeem.’ 

Dat gezegd hebbende, kan Westerveld de redeneertrant van Dekker wel volgen. Zoals diens stelling dat rechtsbijstandverzekeraars efficiënter werken omdat ze meer geneigd zijn tot schikken, snel oplossingen te zoeken, niet direct gaan procederen. ‘Ik sluit niet uit dat er op dat punt wat van verzekeraars valt te leren. Maar ik deel wel met de advocatuur dat rechtsbijstandverzekeraars behoorlijk intransparant zijn. Je hebt weinig zicht op wat daar gebeurt, op hoe ze werken en je kunt niet uitsluiten dat mensen daardoor worden gedupeerd. Het blijft toch een weging: hoeveel rechtsbescherming wil je mensen geven, of in hoeverre wil je stimuleren dat problemen snel worden opgelost? Die twee dingen staan op gespannen voet met elkaar.’ 

De vraag die daarbij boven de markt hangt is: waar worden mensen nou gelukkiger van? Beide kampen – ­minister Dekker en wetenschappers als Maurits Barendrecht enerzijds, ­sociale advocatuur anderzijds – claimen te weten wat mensen het prettigst vinden. ‘Je kunt best tegen ­iemand zeggen: we gaan om de tafel om het probleem op te lossen en jij krijgt dit, en hij dat. Dan zeggen mensen: prima. Maar nou geef je meer informatie, je zegt: als we voor het echie gaan, zou je dit of dat kunnen krijgen. Schikt ie dan nog steeds? Dat zijn lastige vragen die je kunt niet altijd kunt overzien.’ 

Structurele rechtshulp

Toch heb je, los van deze discussie, altijd advocaten (of andere rechts­beoefenaren) nodig om te laten zien wat bepaalde regelingen of structuren aanrichten, denkt Westerveld. ‘Dat noemden we vroeger structurele rechtshulp. In Canada heet het ­systemic advocacy: op het systeem gericht zaken aan de kaak stellen. Dat hoeft niet per se procederen te zijn, het kan ook een artikel in de krant zijn of een rapport waarin je laat zien: jongens, we hebben wel een wet die zegt dat je niet mag discrimi­neren, maar systematisch zitten onze gevangenissen vol met zwarte ­mensen. Dat soort mensen blijf je wel nodig houden. Ik zie op dit moment wel een opleving van dat soort activisme.’ 

Tegelijk lijkt de sociale advocatuur door alle bezuinigingen een beetje lamgeslagen. ‘Uit de laatste ­cijfers blijkt dat veel advocaten er nu uitstappen. Het is verleidelijk om te zeggen dat dat komt door de lage vergoedingen. Maar het zou ook kunnen dat het advocaten zijn die zeggen: ik ben nu zestig, ik vind het wel ­welletjes. Ik ga eens wat anders doen. Wat wel heel zorgelijk is, is het gebrek aan jonge aanwas.’ 

De ontwikkeling doet haar denken aan het fasemodel van organisaties uit de sociologie. ‘In de eerste fase richten een paar bevlogen mensen een bedrijf op. In de tweede fase nemen ze personeel aan. In de derde fase breiden ze uit, en zijn ze nog even bevlogen, maar in de vierde fase begint het af te takelen omdat de organisatie zo groot is dat niemand nog precies weet waarom ze het ook alweer deden. Misschien zit de sociale advocatuur in die fase.’ 

Het vak Sociale Rechtshulp keerde niet meer terug, wel kwam er de Togaminor, die door zo’n zestig tot tachtig studenten per jaar wordt gevolgd en waarin toegang tot het recht een belangrijke rol speelt. De leerstoel Sociale Rechtshulp houdt op te bestaan – die werd betaald uit hetzelfde budget als waar de toevoegingen uit worden betaald en dat vond de raad niet meer verantwoord. Doodzonde, vindt Westerveld. Toegang tot recht blijft actueel en ze beijvert zich ervoor dat het vak, in welke vorm dan ook, blijft bestaan. ‘Maar ik ga ook niet over mijn graf heen regeren. Het is nu aan een volgende generatie om het op hun manier te doen.’ 

Mies Westerveld 

Geboren:
Rotterdam, 29 augustus 1953 

Studie:
Nederlands recht, Rotterdam 

1974-1977rechtswinkelier Rotterdam 

1977-1988advocaat Rotterdam 

1988-2010docentschappen arbeidsrecht en sociaal recht UU en UvA 

1990-1996plv. rechter bestuursrecht Rotterdam 

2007-2019bijzonder hoogleraar sociale rechtshulp 

2010-2019hoogleraar socialeverzekeringsrecht 

Diverse redacteurschappen
o.a. Nemesis, tijdschrift over vrouwen en recht; 
Raad voor Rechtsbijstand; Jurisprudentie WRB 

2003-2011Senator PvdA, woordvoerder justitie en sociale zekerheid 

tat1

Tatiana Scheltema

Freelance journalist

Profiel-pagina
Advertentie