De schorsing volgt na een verzoek van de deken in Limburg. Eind september heeft de deken een gesprek gevoerd met de desbetreffende advocaat. De deken heeft de verweerder verzocht om op korte termijn een door zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar gewaarmerkt en ondertekend bewijs te overleggen. Daaruit zou moeten blijken dat hij over een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering beschikt en dat hij heeft voldaan aan zijn verplichtingen van premiebetalingen.

Een reactie van de advocaat bleef echter uit. Later erkende hij vanaf 1 januari 2019 niet adequaat voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd te zijn. Volgens de deken dient de verplichting van het hebben van een adequate beroepsaansprakelijkheid mede een publiek belang. ‘Een rechtzoekende mag erop vertrouwen dat zijn claim tegen een advocaat die aansprakelijk is voor door hem geleden schade, daadwerkelijk wordt gehonoreerd. Dit is mede van belang voor het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur als beroepsgroep.’

De advocaat in kwestie begrijpt het verzoek van de deken en verzoekt de schorsing tijdelijk op te leggen, namelijk tot het moment waarop hij weer verzekerd is voor het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid.

Onaanvaardbaar risico

De raad volgt de deken en oordeelt dat de advocaat in strijd handelt met de Verordening op de Advocatuur. ‘Zonder adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering als advocaat optreden, roept voor de advocaat, maar ook voor zijn cliënten, een onaanvaardbaar risico in het leven.’

De raad wijst het verzoek van de deken ex artikel 60ab Advocatenwet toe en schorst de advocaat met onmiddellijke ingang. De raad ziet geen aanleiding om te voldoen aan het verzoek van de advocaat om de schorsing te beperken voor de periode tot het moment waarop verweerder weer zal zijn verzekerd voor zijn beroepsaansprakelijkheid.

Redactie Advocatenblad

Profiel-pagina
Advertentie