De belastingkamer van de Hoge Raad start naar verwachting dit voorjaar met digitaal procederen. Daartoe wordt het procesreglement aangepast.
De Hoge Raad voegt een nieuwe paragraaf 5.1 toe aan het procesreglement met de bepalingen over digitaal procederen.  De concept-paragraaf is hieronder te lezen.
Tot en met 10 februari is het mogelijk te reageren op de tekst, bij het projectteam Digitale Toegang tot Cassatie t.a.v. Paul Hesseling, p.hesseling@hogeraad.nl.
De reacties kunnen worden gebruikt om de nieuwe bepalingen nogmaals kritisch te bekijken voordat ze worden vastgesteld, aldus de Hoge Raad.
Digitaal procederen bij de belastingkamer wordt straks verplicht voor advocaten. De concrete ingangsdatum moet nog worden vastgesteld.
Civiele procedures en strafzaken bij de Hoge Raad verlopen inmiddels al digitaal.

HOOFDSTUK 5 BELASTINGZAKEN EN BESTUURSRECHTELIJKE ZAKEN

Paragraaf 5.1 Beroep in cassatie bij de derde kamer van de Hoge Raad

5.1.1 Reikwijdte

5.1.1.1 Paragraaf 5.1 van dit procesreglement heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van de procedure in zaken die worden behandeld door de derde kamer van de Hoge Raad (de belastingkamer), met uitzondering van de zaken waarop paragraaf 5.2 betrekking heeft.

5.1.1.2 Met het begrip ‘zaken die worden behandeld door de derde kamer van de Hoge Raad’ worden in paragraaf 5.1 van dit procesreglement bedoeld:

a.zaken waarin beroep in cassatie wordt ingesteld tegen een uitspraak in een belastingzaak van een rechtbank of gerechtshof of van een gerecht in het Caribische deel van het Koninkrijk,
b.zaken waarin beroep in cassatie wordt ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
c.zaken waarin herziening wordt verzocht van een uitspraak van de derde kamer van de Hoge Raad.

5.1.2 Bepalingen van algemene aard

5.1.2.1 In de procedure bij de Hoge Raad is het dossier van de zaak een digitaal dossier.
5.1.2.2 Een partij die niet verplicht is digitaal te procederen, kiest in een zaak voor digitaal procederen door een bericht of document in die zaak in het webportaal in te dienen.
5.1.2.3 De griffier plaatst berichten en documenten die per post zijn ingediend door de partij die niet verplicht is digitaal te procederen en die niet voor digitaal procederen heeft gekozen, in het digitale dossier van de zaak.
5.1.2.4 De griffier stelt de partij die niet verplicht is digitaal te procederen en die niet voor digitaal procederen heeft gekozen, per post in kennis van berichten en documenten die in het webportaal zijn ingediend door de wederpartij of daarin zijn geplaatst door de griffier.
5.1.2.5 Het dossier van de zaak in de procedure(s) in de vorige instantie(s) wordt in het webportaal getoond indien de griffier van die instantie(s) dat dossier aan de Hoge Raad digitaal ter beschikking heeft gesteld.
5.1.2.6 Een partij die niet verplicht is digitaal te procederen en die niet voor digitaal procederen heeft gekozen, kan een verzoek tot inzage bij de griffier doen.
5.1.2.7 Gestelde termijnen, zoals termijnen voor het herstel van een verzuim of het verrichten van een proceshandeling, worden alleen onder bijzondere omstandigheden verlengd. Een verzoek om termijnverlenging moet binnen de gestelde termijn door de Hoge Raad zijn ontvangen en dient ook de redenen van het verzoek te bevatten. Van de beslissing op het verzoek stelt de griffier de verzoeker en zo nodig ook de wederpartij in kennis.
5.1.2.8 Op te laat ingediende berichten en documenten slaat de Hoge Raad geen acht.
5.1.2.9 De griffier geeft van het bestaan van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht kennis aan degene aan wie gelegenheid wordt geboden het verzuim binnen een daartoe gestelde termijn te herstellen. Daarbij wijst de griffier op het gevolg dat de Hoge Raad kan verbinden aan het niet binnen de gestelde termijn herstellen van het verzuim.
5.1.2.10 Op de procedure na indiening van een herzieningsverzoek (artikel 8:119 Awb) is, voor zover relevant en nodig, hetgeen in deze paragraaf is bepaald omtrent de behandeling van het beroep in cassatie van overeenkomstige toepassing.
5.1.2.11 De Hoge Raad kan op grond van bijzondere omstandigheden afwijken van de bepalingen van paragraaf 5.1.

5.1.3 Een nieuwe zaak beginnen

5.1.3.1 Een partij die verplicht is digitaal te procederen, begint een nieuwe zaak door indiening van het beroepschrift in cassatie in het webportaal.
5.1.3.2 Een partij die niet verplicht is digitaal te procederen, kan een nieuwe zaak beginnen door het beroepschrift in cassatie in te dienen in het webportaal of per post.
5.1.3.3 De indiener voegt bij het beroepschrift in cassatie de uitspraak waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld. Die uitspraak is niet voorzien van aantekeningen of markeringen van anderen dan van het gerecht waarvan de uitspraak afkomstig is. Is die uitspraak niet beschikbaar, dan vermeldt de indiener de datum en het zaaknummer van die uitspraak en de naam van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

5.1.3.4 Verder voegt de indiener bij het beroepschrift in cassatie:

a. de volmacht, indien de nieuwe zaak wordt begonnen door een gemachtigde van een partij en die gemachtigde geen advocaat is;
b. het mandaatbesluit, indien de nieuwe zaak wordt begonnen met het mandaat van een bestuursorgaan;
c. het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, indien de nieuwe zaak wordt begonnen voor een in het handelsregister ingeschreven bedrijf, rechtspersoon of andere nietnatuurlijke persoon;
e. de motivering van het beroep in cassatie.

De indiener die in verzuim is met de naleving van een of meer van de onder a tot en met e genoemde voorschriften, krijgt een termijn voor herstel van het verzuim. Die termijn bedraagt vier weken voor indiening van de machtiging en het bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid, en zes weken voor indiening van de motivering.

5.1.3.5 Naar aanleiding van de ontvangst van het beroepschrift in cassatie plaatst de griffier een bericht voor de indiener in het webportaal. De griffier plaatst ook een bericht voor de wederpartij in het webportaal en stuurt daarvan een kopie per post aan de wederpartij.
5.1.3.6 De partij die griffierecht verschuldigd is, wordt binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift in cassatie uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken te voldoen, tenzij het beroepschrift in cassatie is ingediend door een persoon die een rekening-courant aanhoudt waarin het verschuldigde griffierecht kan worden verrekend.
5.1.3.7 De uitnodiging tot betaling van het griffierecht kan per post worden toegezonden, ook als de partij die griffierecht is verschuldigd digitaal procedeert.

5.1.4 Verweerschrift

5.1.4.1 Indien eventuele verzuimen in het beroepschrift in cassatie binnen de gestelde termijn zijn hersteld en het eventueel verschuldigde griffierecht is voldaan, geeft de griffier aan de wederpartij gelegenheid binnen acht weken een verweerschrift in te dienen. Daarbij wordt de wederpartij gewezen op de mogelijkheid binnen dezelfde termijn incidenteel beroep in cassatie in te stellen.

5.1.5 Incidenteel beroep in cassatie

5.1.5.1 De partij die incidenteel beroep in cassatie wil instellen, doet dat bij voorkeur in een afzonderlijk document dat gelijktijdig met het verweerschrift wordt ingediend.
5.1.5.2 De indiener van het principale beroep in cassatie krijgt een termijn van vier weken voor indiening van een zienswijze in het incidentele beroep in cassatie.

5.1.6 Repliek en dupliek

5.1.6.1 De partij die beroep of incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld, kan in de gelegenheid worden gesteld in een conclusie van repliek binnen een termijn van vier weken te reageren op het verweerschrift in cassatie, respectievelijk de zienswijze in het incidentele beroep in cassatie.
5.1.6.2 Tot het indienen van een conclusie van repliek wordt geen gelegenheid geboden indien het geven van een toelichting door een advocaat is verzocht.
5.1.6.3 De wederpartij krijgt een termijn van vier weken om in een conclusie van dupliek te reageren op een conclusie van repliek.

5.1.7 Schriftelijke en mondelinge toelichting

5.1.7.1 Op verzoek van een partij kan gelegenheid worden geboden tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting door een advocaat. Dit verzoek kan worden gedaan in het beroepschrift in cassatie, het verweerschrift, het incidentele beroepschrift in cassatie en de zienswijze in het incidentele beroep in cassatie. Als het verzoek wordt ingewilligd, kan de advocaat van de wederpartij eveneens de zaak toelichten, ook als de wederpartij daarom zelf niet of niet tijdig heeft verzocht.
5.1.7.2 Een verzoek van een partij om een schriftelijke of mondelinge toelichting door een advocaat dat wordt gedaan naar aanleiding van het verweerschrift van de wederpartij, of naar aanleiding van de zienswijze van de wederpartij in het incidentele beroep in cassatie, moet zijn ingediend binnen twee weken nadat de griffier een afschrift van het verweerschrift of de zienswijze heeft verzonden.
5.1.7.3 Bij inwilliging van het verzoek om schriftelijke toelichting stelt de griffier partijen in kennis van de termijn waarbinnen de schriftelijke toelichting moet worden ingediend. Deze termijn is in beginsel vier weken, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving.
5.1.7.4 Nadat de schriftelijke toelichtingen van alle partijen zijn ingediend, stelt de griffier partijen in kennis van de door de wederpartij ingediende schriftelijke toelichting. Hierbij wordt gelegenheid gegeven binnen twee weken op de schriftelijke toelichting van de wederpartij te reageren. Van die reactie van een partij stelt de griffier de wederpartij in kennis.
5.1.7.5 Indien slechts één van partijen een schriftelijke toelichting indient, stelt de griffier de wederpartij in kennis van die schriftelijke toelichting na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de schriftelijke toelichting. Hierbij wordt gelegenheid gegeven binnen twee weken op de schriftelijke toelichting van de wederpartij te reageren door een advocaat. Op deze mogelijkheid wijst de griffier al in het bericht dat een schriftelijke toelichting kan worden ingediend.
5.1.7.6 Indien gelegenheid wordt geboden tot het geven van een mondelinge toelichting, wordt de datum in beginsel vastgesteld op een woensdag op een termijn van bij voorkeur vier weken. Na overleg met de betrokken advoca(a)t(en) over de dagbepaling stelt de griffier partijen in kennis van dag en uur van de zitting.
5.1.7.7 Indien van de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting gebruik wordt gemaakt en daarbij een pleitnota wordt overgelegd, plaatst de griffier een afschrift van die pleitnota in het webportaal.
5.1.7.8 Van de zitting waarop een mondelinge toelichting wordt gegeven, wordt proces-verbaal opgemaakt. Uiterlijk op de datum van toezending van het arrest wordt een afschrift van dat procesverbaal in het webportaal geplaatst.

5.1.8 Versnelde behandeling

5.1.8.1 Een verzoek om versnelde behandeling dient ook de motivering van het verzoek te bevatten.
5.1.8.2 De griffier plaatst de beslissing van de Hoge Raad op het verzoek om versnelde behandeling in het webportaal.
5.1.8.3 Bij inwilliging van het verzoek wordt aan de wederpartij onmiddellijk gelegenheid geboden binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.

5.1.9 Conclusie van de procureur-generaal

5.1.9.1 De griffier stelt partijen in kennis van het voornemen van de procureur-generaal om schriftelijk conclusie te nemen, waarbij tevens een termijn wordt meegedeeld waarbinnen de conclusie kan worden verwacht.
5.1.9.2 De griffier plaatst de schriftelijke conclusie van de procureur-generaal in het webportaal. Hierbij wordt aan partijen gelegenheid geboden binnen een termijn van twee weken een reactie op de conclusie in te dienen.

5.1.10 Uitspraak van de Hoge Raad

5.1.10.1 Nadat het partijdebat is voltooid en, indien van toepassing, de procureur-generaal schriftelijk conclusie heeft genomen, worden partijen in kennis gesteld van de termijn waarbinnen de Hoge Raad verwacht uitspraak te doen.
5.1.10.2 Indien de Hoge Raad niet binnen de aan partijen medegedeelde termijn uitspraak doet, worden partijen hiervan in kennis gesteld.
5.1.10.3 Ten minste een week vóór de dag waarop in het openbaar uitspraak zal worden gedaan, wordt hiervan kennisgegeven aan partijen.
5.1.10.4 Op de dag waarop uitspraak wordt gedaan, wordt een afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad in het webportaal geplaatst.

5.1.11 Prejudiciële vragen van de Hoge Raad

5.1.11.1 Indien de Hoge Raad het voornemen heeft prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, worden de voorgenomen vragen voorgelegd aan partijen, tenzij de procureur-generaal die vragen reeds in de conclusie heeft vermeld. Daarbij krijgen partijen gelegenheid binnen een termijn van twee weken een reactie in te dienen. Hierbij wordt eveneens gelegenheid geboden binnen die termijn kenbaar te maken of een partij belang hecht aan anonimisering van de gegevens die over de zaak worden verstrekt aan het publiek.
5.1.11.2 Na ontvangst van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt aan partijen gelegenheid geboden binnen vier weken een reactie in te dienen.

5.1.12 Digitaal procederen in Caribische zaken

5.1.12.1 In zaken waarin de uitspraak in vorige instantie is gedaan door een gerecht in het Caribische deel van het Koninkrijk, is een in het Caribische deel van het Koninkrijk wonende of gevestigde partij die verplicht is om bij de Hoge Raad digitaal te procederen, maar die niet de beschikking kan krijgen over een inlogmiddel als bedoeld in paragraaf 2.2 van dit procesreglement, niet verplicht digitaal te procederen. Wordt die partij in de procedure bij de Hoge Raad vertegenwoordigd door een in het Nederlandse deel van het Koninkrijk wonende of gevestigde persoon die verplicht is digitaal te procederen, dan geldt deze verplichting onverkort.

5.1.13 Slotbepalingen

5.1.13.1 Op de termijnen in deze regeling is de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing.
5.1.13.2 De bepalingen van paragraaf 5.1 van dit procesreglement zijn van toepassing in zaken waarin het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak die is bekendgemaakt op of na de datum van inwerkingtreding van digitaal procederen bij de derde kamer van de Hoge Raad.
Advertentie