‘Als tweepitter heb je weinig ruimte voor overleg met collega’s,’ zegt advocaat Antoine Endtz van Nextius Legal, Amsterdam. ‘Terwijl ik wel graag wil sparren over dilemma’s. Ik deed bijvoorbeeld eens een zaak waarin de wederpartij ervan werd verdacht banden te hebben met het criminele circuit. Daarover wil je graag met een collega overleggen. Inhoudelijk, over de meldingsplicht rond het witwassen van zwart geld. Maar ook persoonlijk, over de vraag hoe je met de kwestie van veiligheid omgaat.’ Daarom volgde Endtz dit jaar de NOvA-cursus voor gespreksleider intervisie. Vanaf begin volgend jaar mag hij in de praktijk een intervisiegroep gaan leiden. ‘Ik heb al contacten gelegd met vakgenoten van een aantal andere kleine kantoren. We gaan zo snel mogelijk van start.’

Per 1 maart 2020 wordt de kwaliteitstoets voor advocaten (zie kader) na diverse jaren vertraging verplicht. Advocaten en hun kantoren kunnen kiezen uit drie vormen van toetsing: intercollegiale toetsing, intervisie en peerreview. Uit een enquête van Mr. Online in 2018 blijkt dat binnen de advocatuur intervisie de meest populaire vorm van feedback is, gevolgd door de lichter opgetuigde intercollegiale toetsing en de relatief zware peerreview. Bij intervisie is een onafhankelijke, gediplomeerde gespreksleider verplicht. Dit jaar hebben zo’n honderdvijftig advocaten zich daar via de landelijke cursus op voorbereid.

Bernard de Leest, portefeuillehouder kwaliteitstoets in de Algemene Raad, juicht het toe dat deze groep advocaten uit eigen initiatief met intervisie aan de slag is gegaan. ‘Het is echt tijd dat wij net als vergelijkbare beroepsgroepen zoals artsen en notarissen serieus werk gaan maken van het toetsen van onze eigen kwaliteit. Dat vraagt de rechtzoekende, die objectief wil kunnen bepalen waar hij de beste rechtshulp krijgt. Dat vraagt de politiek, die de inhoudelijke meerwaarde van de advocaat onderbouwd wil zien.’

Veilige setting

Bij veel net opgeleide gespreksleiders gaat dit plichtsbesef hand in hand met de overtuiging dat intervisie een verrijking is voor het advocatenvak. Zo ook bij Sylvia Raphael van La Gro Geelkerken Advocaten uit Leiden. ‘Het is heel prettig om buiten je eigen kantoor in een vertrouwde, veilige setting je valkuilen te bespreken,’ vindt Raphael. ‘Dat levert goud op, is mijn ervaring. Zoals een collega die je bewust maakt dat je in het begin van een echtscheidingszaak te weinig regie hebt genomen, zodat je in een lastig moeras terechtkomt. Daar ga ik dan de volgende keer anders mee om.’

Volgens Endtz loopt de advocatuur achter op het gebied van intervisie en andere vormen van zelfreflectie. ‘Wij zijn een conservatieve beroepsgroep waar de cultuur er niet op gericht is om kwetsbaar het professionele gesprek aan te gaan. We vragen elkaar te weinig: hoe heb jij dit opgelost, wat heb je daarvan geleerd?’ Als er onderling overleg is, focust dat vaak op inhoudelijke kennis, signaleren Endtz en Raphael. ‘We zijn goed in jurisprudentie-lunches,’ stelt Endtz. ‘Maar we hebben het nauwelijks over vaardigheden of ethiek. Zeker niet tussen partners onderling.’

Eigen verantwoordelijkheid

Dit behoudende beeld wordt bevestigd door de enquête van Mr. Online. In het algemeen waarderen advocaten het bevorderen en waarborgen van kwaliteit. Toch is zestig procent van de kantoren van mening dat verplichte feedback de kwaliteit binnen hun kantoor niet zal bevorderen – binnen hun eigen kantoor vinden zij dit kennelijk veel minder nodig.

Een kritische houding die past bij Jean van Zinnicq Bergmann, naamgever van het naar eigen zeggen oudste advocatenkantoor van Nederland. ‘De kwaliteit van ons vak is de verantwoordelijkheid van de advocaat zelf. Daar moet Den Haag zich niet mee bemoeien,’ stelt Zinnicq Bergmann. ‘Ze moeten ons niet belagen met dit soort maatregelen. Ik ben 43 jaar advocaat, ik weet wat kwaliteit is.’

Veel kleine kantoren hebben te weinig geld, tijd en omvang voor bijvoorbeeld intervisie, benadrukt Zinnicq Bergmann. ‘Het is voor ons veel te belastend. Op een groot kantoor heb je genoeg advocaten om wekelijks of maandelijks per vakgebied zaken uit te wisselen. Wij zijn met drie advocaten en beoefenen verschillende specialisaties. Gespecialiseerd in erfrecht ken ik de details van het arbeidsrecht of familierecht van mijn collega’s niet.’ Daarom heeft intervisie in zijn situatie geen toegevoegde waarde, vindt hij. ‘Het is niet dat ik niet wil vernieuwen. Op het gebied van automatisering lopen we voorop, maar deze verplichting is te belastend.’

De Leest vindt dit niet acceptabel. ‘Je bepaalt niet zelf als advocaat wat je kwaliteit is. Die tijden zijn voorbij. Als deze advocaat morgen naar de hartchirurg moet, wil hij ook dat zijn arts zich laat beoordelen door collega’s. En dat is het geval: intervisie is al tien jaar verplicht in de medische wereld.’

Lastig dossier

Dat de kwaliteitstoets binnen de advocatuur een lastig dossier is, bleek eveneens uit het verzet binnen het College van Afgevaardigden (CvA). Dat discussieerde jarenlang over het nut en de noodzaak van de toets. Met name de intensieve peerreview stuitte op bezwaren. Deze methode zou de privacy van cliënten schaden, te duur zijn en werd gezien als een verkapte vorm van toezicht. En dus bleek de door de algemene raad gewenste verplichte peer review niet haalbaar. Pas nadat die verplichting werd geschrapt, stemde het CvA in 2017 in met de kwaliteitstoets.

Dit tot spijt van toenmalig CvA-lid Nardy Desloover. Hij sprak over ‘een slap aftreksel’ van de oorspronkelijke toets. Nog altijd geeft Desloover, arbeidsrecht- en letselschadeadvocaat (Vasteland Advocaten, Rotterdam), de voorkeur aan een collectieve peerreview. ‘Die doet het meest recht aan de bedoeling van de wetgever.’ De andere vormen van toetsing vindt hij te vrijblijvend. Desloover betreurt de rol van het CvA. ‘Men liep enorm te hoop tegen de peerreview. Het bezwaar van de hoge kosten kan ik me voorstellen, maar het argument van de vertrouwelijkheid vond ik bijzonder oneigenlijk. Op hetzelfde moment stemde het CvA in met toelatingscriteria voor de cassatiebalie. Daar was ook sprake van beoordeling van dossiers, notabene deels door niet-advocaten. Hier werd geen enkel bezwaar tegen gemaakt.’

Raphael is juist blij dat de peerreview niet landelijk is opgelegd. ‘Ik heb daar ervaring mee als mediator. Het voelt heel erg alsof je op het matje wordt geroepen, met de billen bloot moet.’ Het gebeurt allemaal beleefd en aardig, zegt ze, maar ondertussen worden je dossiers stevig doorgelicht. ‘Het is heel pittig, wat mij betreft te veel in een sfeer van straf en boete. Bij intervisie is juist het goede dat dat ontbreekt. Kwesties worden besproken in een open en opbouwende setting.’

De Leest heeft er begrip voor dat niet meteen voor de meest vergaande methode van toetsing is gekozen. ‘Verplichte peerreview voer je niet makkelijk van de ene op de andere dag in. Laten we eerst wennen aan de verschillende vormen om kwaliteit te toetsen.’ Voor de toekomst blijft het een serieuze optie, aldus De Leest. ‘Peerreview is wel de enige inhoudelijke toets of advocaten hun werk goed doen. Bovendien is het geen vorm van toezicht: in landen waar peerreview al een hoge vlucht heeft genomen, wordt het gezien als een onmisbaar kwaliteitsinstrument. Slechts een fractie van de advocaten voelt zich gedwongen om te stoppen.’

Zwakke broeders

Als voormalig Rotterdamse deken weet Desloover uit eigen ervaring hoezeer de advocatuur een effectieve kwaliteitstoets kan gebruiken. ‘Ik heb in mijn rol als deken gezien hoe advocaten in staat zijn om onder de maat te functioneren. Een grote groep advocaten scoort een 6 of een 7, maar er zijn er vrij veel die daar flink onder duiken. De goede advocaten doen al aan reflectie en feedback. Maar voor de zwakke broeders is zo’n toets noodzakelijk.’ Driekwart van de advocatenkantoren doet inderdaad al aan een vorm van intervisie, collegiale toetsing of peerreview.

Zelf neemt Desloover deel aan verschillende intervisiekringen. ‘Op mijn kantoor hebben we wekelijks zaakoverleg. Verder bespreek ik elke maand allerlei kwesties met een groep arbeidsrechtadvocaten van andere kantoren. Via diverse specialisatieverenigingen ben ik nauw betrokken bij peerreview en audits.’ Volgens Desloover is het lidmaatschap van een specialisatievereniging een soort keurmerk van kwaliteit. ‘De gemiddelde LSA-advocaat bijvoorbeeld legt dankzij alle eisen van de vereniging de lat hoger.’ Ook Zinnicq Bergmann wijst op het kwaliteitseffect van de vakvereniging. ‘De VEAN organiseert allerlei activiteiten over het erfrecht om ons bij de les te houden. Recent nog een lunchbijeenkomst over de nalatenschap van de directeur-grootaandeelhouder.’

Open vragen

Ook de verplichte bijscholing die advocaten jaarlijks volgen, wordt vaak gezien als een waarborg voor ambachtelijke kwaliteit. Een kleine veertig procent van alle kantoren vindt het verzilveren van de jaarlijkse opleidingspunten de beste weg om de kwaliteit te stimuleren. ‘Je weet niet hoeveel opleidingen ik per jaar volg,’ aldus Zinnicq Bergmann. ‘Ik voldoe ruimschoots aan alle eisen.’ Dat biedt volgens Raphael geen garanties. ‘Je kunt bij wijze van spreken vijf juridische PO-punten verdienen door naar een congres te gaan en de hele dag met je ogen dicht te zitten. Het is belangrijk dat je ook kijkt naar je eigen functioneren als advocaat, naar je niet-juridische vaardigheden. Dát is onderwerp van intervisie.’

Bij de opleiding tot gespreksleider hebben Raphael en Endtz geleerd hoe ze andere advocaten daar het best toe kunnen verleiden. ‘Dat is best lastig, je bent erg gewend om op de inhoud in te gaan,’ vertelt Raphael. ‘Maar je moet vooral structuur bieden, zorgen voor een sfeer waarin de deelnemers elkaar de juiste vragen stellen.’ Allebei hebben ze in die rol voordeel van hun ervaring als mediator. ‘Ik ben gewend om mensen open te bevragen, goed naar ze te luisteren,’ aldus Endtz. ‘De oplossing geef ik niet zelf, maar laat ik aandragen door de advocaten. Daar leren ze het meest van.’

Herhaaldelijk uitstel kwaliteitstoets

Het college van afgevaardigden gaf al in 2017 groen licht aan de kwaliteitstoets. Hier gingen jaren van discussie aan vooraf. Een belangrijk bezwaar van het college was de mogelijke schending van privacy bij cliënten. Met name bij peerreview, waar advocaten elkaar inhoudelijk beoordelen op basis van dossiers. Peerreview is een van de drie methoden van kwaliteitstoetsing. De andere twee zijn intervisie en intercollegiale toetsing.

Bij beide methoden reflecteert een groep van drie tot tien advocaten over vaardigheden en inhoud van het vak. Intervisie is de intensieve variant, een gediplomeerde gespreksleider is verplicht. Voor intervisie en peerreview kunnen advocaten PO-punten krijgen. Elke advocaat dient jaarlijks vier tot acht uur deel een van de drie opties te doen. Voor de verplichting was een wijziging van de Advocatenwet nodig. Zowel de Eerste als Tweede Kamer ging daarmee in december akkoord. De kwaliteitstoets wordt per 1 maart 2020 verplicht.

foto-Stijn-Dunk

Stijn Dunk

Redacteur Advocatenblad

Profiel-pagina
Advertentie