De cliënt van mr. X heeft geld tegoed. Een buitenlandse bank, zo vertelt hij zijn advocaat, heeft een voor hem bestemd bedrag van 18.000 euro gestort bij een agentschap van Western Union. Via zo’n agentschap kun je geld uit het buitenland contant laten uitbetalen. Maar de agent in het filiaal wil het bedrag niet afgeven, aldus de cliënt.

Mr. X gaat langs bij het filiaal. De agent runt daarin niet alleen zijn betaal-agentschap, maar ook een juwelierszaak. Mr. X eist betaling van het bedrag dat de cliënt zou moeten krijgen. Maar de filiaalhouder weigert. Hij zegt dat hij geld tegoed heeft van de cliënt van mr. X. Die zou juwelen van hem gekocht hebben en een lening niet hebben terugbetaald.

Mr. X verlaat de zaak met lege handen en zet de strijd namens zijn cliënt voort op papier. Hij houdt vast aan de vordering, betwist de juwelenaankoop en de lening, maar vernietigt die voor de zekerheid toch maar voorwaardelijk. Mr. X en de inmiddels ingeschakelde advocaat aan gene zijde slaan elkaar over en weer met documenten om de oren waaruit niet bepaald eenduidig valt te concluderen wie er nu echt een punt heeft.

Het einde van het lied is dat de wederpartij een klacht indient tegen mr. X.

Onaangekondigd

Mocht mr. X onaangekondigd verschijnen in de winkel van de wederpartij?

Ja, vindt de Haagse raad van discipline. Zoiets is weliswaar ongebruikelijk, maar niet zonder meer onbehoorlijk. De raad kan niet vaststellen dat mr. X de wederpartij toen heeft geïntimideerd of bedreigd. Bovendien, aldus de raad, moet een agent van Western Union eraan gewend zijn dat onbekenden binnen komen lopen om contant geld op te halen.

Toch heeft mr. X zich volgens de raad onbehoorlijk gedragen.

Mr. X beschikte op het moment dat hij bij het filiaal verhaal kwam halen volgens klager helemaal niet over schriftelijk bewijs van de vordering. Als dat verhaal van klager klopte, zou mr. X zonder enige (schriftelijke) onderbouwing een aanzienlijk bedrag hebben gevorderd. Dat betaamt een behoorlijk advocaat niet, vindt de raad.

Volgens mr. X zelf beschikte hij op dat moment al wel over een bewijsstuk. Het betrof echter een soort bewijs van overboeking van een buitenlandse bank waarvan niet duidelijk was wat het met de zaak te maken had. Het document ging over een huurbetaling en de naam van de cliënt van mr. X kwam er niet op voor. Als mr. X dat document daadwerkelijk van meet af aan in handen had, had hij meer onderzoek moeten doen naar de herkomst en betekenis ervan voordat hij ermee ging wapperen als bewijs van de vordering van zijn cliënt.

Bovendien bleek nergens uit dat mr. X zich achter de oren had gekrabd omdat het hier wel eens om een witwas-gevalletje kon gaan.

Bedreigd

Klager vond ook dat mr. X hem met de toon en inhoud van zijn brieven had bedreigd. Nou viel het in het algemeen met die toon wel mee, maar op één punt gaf de raad klager ook hierin gelijk. Mr. X had gedreigd Western Union te informeren over de gang van zaken, terwijl die volgens de raad in de transacties tussen de partijen eigenlijk helemaal geen rol speelde. Het dreigement was misplaatst en onbehoorlijk, gezien de gebrekkige kennis van mr. X over de vordering, de grondslag daarvan én over de werkwijze van Western Union: zij betalen slechts maximaal 5000 euro uit, aan de rechthebbende in persoon, op vertoon van legitimatie en een speciaal nummer. Daar wist mr. X allemaal niks van, zo bleek uit zijn eigen verklaringen.

Mr. X krijgt een waarschuwing (in de samenvatting op tuchtrecht.nl staat ten onrechte berisping), maar kan nog in appel.

Trudeke

Trudeke Sillevis Smitt

Freelance redacteur

Profiel-pagina
Advertentie