Victor Loonstein, medewerker van het Amsterdamse familiekantoor Loonstein Advocaten, stuitte onlangs tijdens een cursus op het kadaster terloops op een misdrijf. Als vingeroefening zocht hij in de databank op het adres van een door de nazi’s vermoord familielid. In een oude leveringsacte stond als nieuwe eigenaar een beruchte naam vermeld. Het appartement bleek al op de dag van de deportatie te zijn overgedragen aan oorlogsmisdadiger Pieter Menten. ‘We weten dit nog maar twee maanden,’ vertelt zijn vader en kantoorgenoot Herman Loonstein (1958): ‘Er was nooit eerder naar gekeken, want deze oom is niet teruggekomen. Ik ben enorm geschrokken. We zijn nu de familie aan het inventariseren om een claim te kunnen onderbouwen. Misschien niet tegen de huidige eigenaren, maar tegen de overheid. Want foute notarissen die meewerkten aan plundering waren deels rijksambtenaren.’

Dit voorbeeld is volgens Loonstein geen uitzondering. In de jaren veertig kon vastgoed nog bij mondelinge volmacht worden verkocht. De huizen van de weggevoerde Joden werden bij foute notarissen gepasseerd. ‘Dit is onontgonnen terrein. Na de oorlog is er wel aan rechtsherstel gedaan, maar men was vooral met de wederopbouw bezig. Iedereen keek weg omdat er foute dingen waren gebeurd. Ook de teruggekeerde Joden wilden het liefst vergeten. Zo is er veel blijven liggen. En naar de huizen, bedrijven en ander vermogen van hen die niet terugkeerden, wordt pas sinds twintig jaar onderzoek gedaan. Het meeste werk moet nog gebeuren.’

Eind jaren negentig kwam er door een reeks van schandalen wereldwijd aandacht voor het rechtsherstel van de Holocaustslachtoffers en hun nabestaanden. Geroofd goud, slapende banktegoeden en vergeten verzekeringspolissen in binnen- en buitenland werden in kaart gebracht en vergoed. Er kwamen internationale regels voor de teruggave van roofkunst, de Washington Principles. Zo kunnen families die – op zoek naar verloren schilderijen – soms tientallen jaren van het kastje naar de muur zijn gestuurd, in Nederland sinds 2001 een claim neerleggen bij een speciale restitutiecommissie.

Kandinsky

Toch blijft teruggave een moeilijk en langdurig proces, dat ook 75 jaar na de oorlog nog voor controverse kan zorgen. Zo staat voor oktober dit jaar een zitting gepland bij de Amsterdamse rechtbank over het schilderij ‘Bild mit Häusern’ van Wassily Kandinsky. Dit meesterwerk werd in oktober 1940 door de gemeente Amsterdam op een veiling gekocht uit de collectie van bijna honderd kunstwerken van de familie Lewenstein, die fortuin maakte met hun naaimachinefabriek. Het schilderij hangt sindsdien in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

De nabestaanden dienden een claim in bij de Restitutiecommissie. Na vijf jaar onderzoek oordeelde die in 2018 dat het schilderij niet hoeft te worden teruggegeven. Een uitspraak die voor ophef zorgt. Na twintig jaar coulance en begrip lijkt nu de bewijslast weer omgedraaid te worden in het nadeel van de familie.

‘De commissie veronderstelt dat een Joodse vrouw honderd schilderijen in oktober 1940 vrijwillig zou aanbieden op een openbare veiling,’ zegt advocaat Axel Hagedorn (1954). ‘Maar dat is onbestaanbaar. De bezetter zou dat vermogen confisqueren. Göring had een groot deel van de Goudstikker-collectie al opgekocht. Het restant werd op dezelfde veiling verpatst als de collectie van de Lewensteins. Dat kan dan toch niet vrijwillig gebeurd zijn?’

Hij vraagt de rechtbank het bindend advies van de Restitutiecommissie te vernietigen. Het omstreden rapport laat namelijk ook een ander feit buiten beschouwing, betoogt Hagedorn. ‘Het Stedelijk heeft voor de veiling een deal gesloten met een andere verzamelaar. Er zaten twee Kandinsky’s in de collectie. Ze hebben handjeklap gedaan: jij biedt op de een, ik op de ander. Zo kon Amsterdam het schilderij voor maar 160 gulden kopen, ook in die tijd een schijntje. De Restitutiecommissie heeft dit niet uitgezocht. De tweede Kandinsky hangt in Duitsland en daar ligt ook een claim.’

Hagedorn is partner bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten en houdt zich normaal gesproken bezig met ondernemingsrecht en overnames. Dit is een tweede uitstapje, na de procedure die hij voerde voor zesduizend weduwen uit Srebrenica. ‘Het komt ook door mijn Duitse herkomst. Ik wil niet dat mijn kinderen mij kunnen verwijten dat ik niets gedaan heb. Dit is onrecht. Onbegrijpelijk dat het Stedelijk Museum met zijn internationale allure zo’n schilderij gewoon op zaal laat hangen, met een bordje ernaast dat het mag van de Restitutiecommissie.’

Als sterkste troef in de zaak voert hij aan dat leden van de commissie aantoonbare banden hebben met het Stedelijk. ‘Ze zijn niet onafhankelijk en hebben dat niet vooraf kenbaar gemaakt. Dat is een doodzonde. Wellicht om die reden bevat hun advies meerdere aannames die worden gepresenteerd als feiten. Zo zijn twee van de drie erfgenamen weggemoffeld met moeilijk te volgen redeneringen, zodat alleen de eiser met de minste papieren overblijft. Toen ik het las, dacht ik: hoe kan dit? Alleen juristen kunnen dat.’

In dit soort roofkunstzaken spelen vaak complexe, door oorlogsomstandigheden nog verder ontregelde familierelaties en erfeniskwesties. Robert Lewenstein erfde de collectie in 1937 samen met zijn zus Wilhelmine. Het is onduidelijk of zij de collectie verdeelden, zoals de bedoeling was. Wilhelmine vertrok voor de oorlog met haar man naar Mozambique en Robert verliet zijn vrouw Irma en belandde in 1939 in Zuid-Frankrijk. Pas in 1944 werd de scheiding voltrokken en ondertussen beschikte Irma in Amsterdam over de collectie, zo stelt de Restitutiecommissie. Maar over de omstandigheden rond de veiling is weinig gedocumenteerd.

Zowel Robert als Irma bleef kinderloos. Claimorganisatie Mondex wist toch drie nabestaanden te traceren. De eisers in de rechtszaak zijn twee kinderen van Wilhelmine. De derde eiser is de weduwe van een pleegkind van Irma.

Roofkunst

De Restitutiecommissie erkent dat het schilderij waarschijnlijk roofkunst is, maar vindt het belang van het museum zwaarder wegen dan dat van deze nabestaanden. ‘Waarom heb je een Restitutiecommissie als je toch niet wilt teruggeven? Dit gaat in tegen de Washington Principles,’ reageert Hagedorn. Hij is bang dat de zaak nog jaren kan slepen. ‘Eisers krijgen dan het verwijt dat het alleen om geld zou gaan. Maar ze zijn al tien jaar bezig. Niemand kan tien jaar lang advocaten, kunsthistorici, fiscalisten betalen. Dus moet het werk straks wel verkocht worden. Dat is dus geen argument om niet terug te geven. En misschien kan het wel in Amsterdam blijven hangen. Dat weet je niet.’

Sinds 2001 beoordeelde de commissie zo’n honderdvijftig zaken, en er blijven nieuwe claims binnenkomen. Onderzoek uit 2018 toont aan dat er verspreid over 42 Nederlandse musea nog 170 tijdens de oorlog geroofde kunstwerken hangen. Koepelorganisatie Centraal Joods Overleg (CJO) heeft vorig jaar het eigendomsrecht over de werken opgeëist en is hierover in gesprek met de Rijksoverheid. Volgens Loonstein zit er ook nog roofkunst in de collectie van het Koninklijk Huis. Na de oorlog was er veel kunst met onduidelijke herkomst op de markt. ‘Deskundigen op kunstgebied die weleens in de paleizen komen, vertellen mij dat daar nog heel veel geroofde Joodse kunst hangt. Dat moet de hoogste prioriteit krijgen. Het Koninklijk Huis zou het voorbeeld moeten geven.’

In 2015 gaf de koning een door de nazibank Liro in beslag genomen schilderij terug aan de rechthebbenden. En afgelopen januari oordeelde de Restitutiecommissie dat een antiek servies uit Paleis Het Loo terug moet naar de oorspronkelijke eigenaren.

Spoorwegen

Ook op andere terreinen blijft de nasleep van de oorlog onderwerp van strijd. Zo staat sinds begin dit jaar de compensatie van de Nederlandse Spoorwegen weer ter discussie. Vorig jaar trok de NS zo’n 47 miljoen euro uit voor een schadevergoeding van maximaal 15.000 euro aan slachtoffers die per trein zijn gedeporteerd naar Westerbork of hun nabestaanden. Boven op dat bedrag voor individuele compensatie eist het CJO namens de Joodse gemeenschap nu ook een collectieve compensatie namens de slachtoffers die niet terugkwamen en geen nabestaanden (meer) hebben.
‘Het leeuwendeel kwam niet terug uit de vernietigingskampen,’ zegt CJO-voorzitter Eddo Verdoner. ‘De NS heeft ook daarvoor schadevergoeding beloofd, maar maakt weinig aanstalten om dat concreet te maken. Daarom deze eis. We willen geen juridisch conflict, maar overleg tussen organisaties om tot een vergelijk te komen. Zodat we die zwarte bladzijde om kunnen slaan.’
‘Het is moeilijk voor een advocaat om na zo’n groot succes over je eigen grenzen heen te kijken,’ reageert Liesbeth Zegveld (1970) van Prakken d’Oliveira Human Rights Lawyers. Zij stond Salo Muller, wiens ouders per trein zijn weggevoerd, jarenlang bij in zijn claim tegen de NS. ‘De regeling van vorig jaar was een doorbraak. Daar houdt het dan ook wel een beetje op. De NS heeft collectief altijd wel wat gedaan, maar Salo zei: “Wij lijden individueel, niet alleen collectief.” Dat heeft de NS gehonoreerd. Weliswaar onder dreiging van een rechtszaak, maar het is wel gebeurd. Probeer zo’n succes niet te herhalen, denk ik dan.’
Volgens NS-woordvoerder Geert Koolen wordt er gepraat met meerdere organisaties, waaronder het CJO. ‘We gaan niet in op hun eis. Een bedrag van 50 miljoen euro is niet aan de orde en we hechten eraan om zelf te bepalen waar het geld aan besteed wordt. Door de corona hebben de gesprekken vertraging opgelopen, maar we willen in juni of juli met een voorstel komen voor die collectieve erkenning.’
Loonstein heeft wel begrip voor de claim van het CJO. ‘Het is mooi wat Muller heeft bereikt, maar als je de vergoeding van de NS vergelijkt met wat de Franse spoorwegen hebben betaald, dan moet je je ook achter de oren krabben of de NS niet iets royaler had kunnen en moeten zijn.’

Tram

Met zijn eigen organisatie Federatief Joods Nederland is hij al jaren bezig met een claim tegen het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) van Amsterdam. ‘Het GVB heeft het NIOD gevraagd onderzoek te doen en houdt ons aan het lijntje. Maar zoveel onderzoek is er niet nodig. De Amsterdamse Joden zijn per tram naar de Hollandsche schouwburg gebracht en ze moesten daar voor betalen. Dan denk ik: kom met een voorstel, zoals de NS heeft gedaan. We hebben recentelijk daar nog rappel over gestuurd. Daar komt geen inhoudelijk antwoord op.’

Ook Zegveld heeft samen met Salo Muller een claim tegen het GVB overwogen. ‘Maar je moet het wel heel specifiek onderbouwen met tijd, plaats, actoren. Het gaat over een gering schadebedrag, en het is niet duidelijk wie er voor die tram betaalde. De een is wel op de tram gezet, de ander niet. En welke trajecten? Dat krijg je allemaal niet helder genoeg om een sterke vordering te hebben.’

Ze sluit niet uit dat er in de toekomst claims komen tegen gemeentes en de politie. ‘Er komt nu weer onderzoek van het NIOD naar de rol van de gemeentes. Als daar concrete feiten uit komen, dan wil ik daar zeker mee aan de slag. Ik heb ook weleens met iemand gepraat die door de politie uit zijn huis was gehaald en op transport gezet. Dat viel niet te bewijzen. Maar zodra er bewijs is, heb je een zaak.’

Een andere kwestie die nog maar een paar jaar geleden is opgekomen, is de erfpacht. Joden die terugkeerden uit de kampen moesten achterstallige erfpachtcanon afdragen en kregen boetes omdat ze niet op tijd hadden betaald. De gemeente Amsterdam heeft daar vorig jaar een collectieve schadevergoeding voor uitgetrokken, maar er zijn nabestaanden die aandringen op individuele genoegdoening, net zoals de gemeente Den Haag heeft uitgekeerd. ‘Terecht,’ oordeelt Loonstein. ‘Zo ingewikkeld is het toch niet? Het is allemaal goed gedocumenteerd. En in sommige andere gemeenten is de erfpachtkwestie nog helemaal niet besproken. En ook die gemeentes hebben vervoersbedrijven die Joden hebben afgevoerd.’

Bij de gemeente moesten mensen leges betalen voor de verplichte Jodensterren. Ook dat wil Loonstein alsnog recht zetten. ‘Je moest er minimaal drie aanschaffen. Een voor de winterjas, een voor de regenjas en een voor het colbert. Ik heb de Amsterdamse burgemeester verzocht om een schaderegeling, maar krijg geen antwoord. Het gaat niet om het geld, maar om het gevoel van genoegdoening. Zeker bij de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt, van wie er steeds meer wegvallen. Daarom blijf ik rappels sturen.’

KNIL

Andere slepende oorlogsclaims voeren terug naar het voormalig Nederlands-Indië. Ook hier lijken zaken direct na de oorlog niet goed te zijn afgewikkeld. Zo hebben oud-KNIL-militairen een claim lopen voor achterstallige soldij en wachtgeld, die na de oorlog niet zijn uitgekeerd. ‘Pas in 2015 is dat voor een deel rechtgezet, maar niet voor de KNIL-militairen die inmiddels waren overleden,’ legt advocaat Michael Ruperti (1972) van Cleerdin & Hamer Advocaten uit. Hij is in overleg met het ministerie van Defensie en hoopt dit jaar tot een definitieve regeling te komen.

Ook de zaak over het vrachtschip Van Imhoff speelt nog altijd. In 1942 werd dit Nederlandse schip door een Japanse aanval tot zinken gebracht. Vierhonderd opvarende Duitse geïnterneerde burgers werden door de bemanning aan hun lot overgelaten en verdronken. De compensatie die Nederland na de oorlog hiervoor aan Duitsland betaalde, kwam nooit bij de nabestaanden terecht, dus heeft Zegveld een nieuwe claim bij de Nederlandse overheid ingediend. ‘Er is een briefwisseling geweest. Het ministerie van Defensie beroept zich op verjaring. Ondertussen hebben zich meer nabestaanden gemeld. Dat zie je bij dit soort grote zaken die veel impact hebben. Mensen laten het niet rusten. Ze willen eerherstel voor hun familie, genoegdoening, omdat het zo evident fout was. Oorlogsmisdrijven verjaren niet.’

Excuses

Nederlandse overheid tijdens de oorlog. ‘Heel mooi, maar als je het concreet kunt maken, moet je dat ook doen,’ reageert Zegveld. ‘Anders heeft het geen betekenis en is het vrijblijvend. Je moet de volle consequenties overzien van dat soort excuses, juist omdat het zo’n ernstige zaak is. Het handelen van de politie staat bijvoorbeeld toch niet los van de regering in ballingschap? Er is nooit iets gebeurd. Salo Muller kreeg tot nu toe alleen wat geld van Duitsland in het kader van de Wiedergutmachung. Van Nederland krijgt hij helemaal niets.’

Ook voor Loonstein is de afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog nog niet voltooid. ‘Ik krijg wekelijks verzoeken of ik iets wil uitzoeken. Kinderen en kleinkinderen die zich afvragen wat er met de bezittingen van hun grootouders is gebeurd. Maar ik heb niet de tijd of de middelen om dat uit te zoeken. Er zou een fonds voor moeten komen. Het rechtsherstel is heel laat op gang gekomen en er is nog altijd weinig bereidheid om zaken op te lossen.’

‘Ik vind wel dat Nederland zich er gemakkelijk vanaf maakt,’ beaamt Zegveld. ‘We hadden dit eerder en zelfbewuster moeten onderzoeken. Het hoort toch bij een volwassen democratie dat je reflecteert op de fouten. Daar groei je juist door, je hebt meer recht van spreken bij andere situaties. Ik denk dat het heel belangrijk is voor de geschiedenis van een land. We bieden niet voor niets excuses aan. Dat is kennelijk van belang. Maar we hadden het veel eerder moeten doen.’

Dit artikel is ook op papier verschenen in Advocatenblad 2020-5

Kandinksy

Kandinsky

A. Hammerstein, voorzitter van de restitutiecommissie weerspreekt de bewering van mr. Hagedoorn over diens procedure tegen het Stedelijk Museum.

Marco-de-Vries3

Marco de Vries

Freelance journalist

Profiel-pagina
Advertentie