Een mevrouw en meneer wilden scheiden en hadden een afspraak staan bij een mediator. Voorafgaand aan dit gesprek vroeg meneer aan mr. X: wil je me zo nodig bijstaan in de mediation en als die niet lukt in de echtscheidingsprocedure? Mr. X zei ja, en stuurde een opdrachtbevestiging.

Nog geen week later kreeg mr. X een telefoontje van mevrouw: wil je mij bijstaan in mijn echtscheidingsprocedure? Mr. X had niet meteen in de gaten wie hij aan de lijn had. Toen hij het doorkreeg, zei hij dat hij niet vrijstond omdat hij al contact had met meneer.

Twijfels

Mr. X schrijft meneer dat mevrouw hem had benaderd, en hij vervolgt: ‘op de vraag waarom kon ik niet anders aangeven dan dat ik in de week daarvoor contact met jou heb gehad. (…) Ik heb uitsluitend mevrouw (…) laten weten dat ik ervan op de hoogte was dat er een mediationtraject aangevangen werd. Mevrouw (…) gaf vervolgens aan dat zij twijfels had over de onpartijdigheid van de mediator nu deze door jou zou zijn gekozen. Daarop heb ik laten weten dat van een vFAs-mediator zonder meer kan worden aangenomen dat deze onpartijdig is. Daarmee was het gesprek ten einde gekomen.’

Meneer klaagt, en terecht, vinden zowel de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden als het Hof van Discipline in appel. Mr. X handelde in strijd met de geheimhoudingsplicht. Dat mr. X er eerst niet op bedacht was dat hij een wederpartij aan de lijn had en dat hij niets had gezegd over de vertrouwelijke inhoud van de contacten met klager, maakte dat niet anders. Hij had moeten volstaan met de mededeling dat het hem niet vrijstond op te treden, punt uit.

Aldus het Hof, dat daarbij verwijst naar regel 3 lid 1 van de Gedragsregels: een advocaat moet zwijgen over bijzonderheden van door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens belangen.

Duidelijke lijn

Als je vertrouwelijk naar een advocaat stapt, is het inderdaad onveilig als je advocaat dit zonder overleg aan anderen zou mogen vertellen. In dit geval valt voor mevrouw uit de mededeling ‘ik sta niet vrij’ waarschijnlijk weinig anders te concluderen dan dat meneer haar voor was geweest, en toch mocht mr. X dat niet zeggen. Het Hof trekt hier met een waarschuwing een duidelijke, harde lijn.

Maar wanneer mag je wél zeggen dat je voor iemand optreedt?
Dat staat in het derde lid van Gedragsregel 3: voor zover een juiste uitvoering van de aan jou opgedragen taak dit rechtvaardigt, de cliënt daartegen desgevraagd geen bezwaar heeft én het in overeenstemming is met de goede beroepsuitoefening.

Trudeke

Trudeke Sillevis Smitt

Freelance redacteur

Profiel-pagina
Advertentie