De schriftelijke opmerkingen zijn namens de NOvA ingediend door cassatieadvocaten Marc Janssen (Banning) en Caspar Janssens (Ploum). Ze moeten een bijdrage leveren aan de beantwoording van prejudiciële vragen door de Hoge Raad. Centraal staat de vraag of de gerechtshoven de bevoegdheid hebben om in hoger beroep te bepalen dat een processtuk een bepaalde omvang mag hebben, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden. Dat is volgens de NOvA, ondersteund door de adviescommissies burgerlijk procesrecht en intellectuele eigendom, niet het geval.

De NOvA meent dat er geen wettelijke basis is om in een individuele zaak te beslissen dat een processtuk aan een maximum lengte is gebonden. Een dergelijke beslissing gaat in tegen het beginsel van de lijdelijkheid van de rechter en de autonomie van partijen. Partijen bepalen immers zelf hoe zij hun zaak aan de rechter willen voorleggen, en een onlosmakelijk onderdeel daarvan is dat partijen ook zelf bepalen hoeveel bladzijden zij daarvoor nodig hebben.

In procesreglementen kunnen volgens de NOvA dan ook geen beperkingen worden gesteld aan de omvang van processtukken. ‘Dit staat op gespannen voet met de wet en de fundamentele beginselen van procesrecht, waaronder het recht op toegang tot de rechter, het beginsel van hoor en wederhoor en de goede procesorde. Met de regeling komen deze beginselen juist in hoger beroep onder druk te staan.’ Ook zou de maatregel praktisch niet (goed) uitvoerbaar en tot rechtsonzekerheid en ongelijke behandeling leiden.

Alternatieven

De NOvA ziet meer heil in andere maatregelen, waarover zij graag met de gerechtshoven in gesprek gaat. ‘Misschien is een wijziging van het appelprocesrecht nodig of kan worden nagedacht over een regiezitting, al dan niet gecombineerd met een comparitie na aanbrengen. Andere mogelijke alternatieve oplossingen zijn een kostenveroordeling, toepassing van artikel 22b Rv of een vingerwijzing in de uitspraak. Ook een positieve stimulans voor partijen om kortere stukken in te dienen, zoals korting op het griffierecht of een uitspraak op kortere termijn, zou daarbij als oplossing kunnen worden onderzocht.’

De verwachting is dat het parket (een advocaat-generaal), mede op basis van de Schriftelijke Opmerkingen van de NOvA, voor het einde van dit jaar zijn Conclusie aanbiedt aan de Hoge Raad. Dit rechtscollege zal zo spoedig mogelijk in de loop van volgend jaar de prejudiciële vragen beantwoorden, waarna de zaak zal worden terugverwezen naar de rechtbank Den Haag.

In afwachting van het antwoord van de Hoge Raad op de prejudiciële vragen heeft de kortgedingrechter besloten de betwiste maatregel van de gerechtshoven niet op te schorten.

Redactie Advocatenblad

Profiel-pagina
Advertentie