Mr. X zette een bericht op LinkedIn met de kop: ‘Pas op voor wurgcontracten bij inschakeling van een “letselschadespecialist”’. In het bericht een foto van een opdrachtbevestiging die een jurist letselschadezaken (voormalig advocaat) aan een cliënt stuurde. De cliënt zegt daarin naast een succes fee van 25 procent ook de ‘buitengerechtelijke kosten’ toe, met een uurtarief van € 400 plus 10 procent kantoorkosten, verschotten en btw.

Bij voortijdige opzegging behoudt de jurist zich volgens de tekst het recht voor de openstaande uren en de misgelopen succes fee in rekening te brengen. Daarover schrijft mr. X: ‘Wil zijn cliënt overstappen naar een (fatsoenlijke) belangenbehartiger? Dan is het sowieso afrekenen voor zijn cliënt, althans dat zal [de jurist] hopen. Blijkens de rechtspraak lukt het innen van die rekening (gelukkig) niet altijd.’

De letselschadejurist schreef mr. X dat het bericht onjuist, tendentieus en onfatsoenlijk was. En hij eiste dat mr. X zou zeggen wie van zijn (voormalig) cliënten mr. X had benaderd. Mr. X weigerde het laatste en schreef dat zijn bericht heel feitelijk was, en voorzien van onderbouwing.

De jurist dient een klacht in. Volgens hem doet mr. X op sociale media tendentieuze, lasterlijke en smadelijke uitlatingen over hem. Feitelijke mededelingen over zijn werkwijze zijn onjuist en mr. X weet dat, of hoort dat te weten. Mr. X misbruikt volgens de jurist LinkedIn op deze manier in de hoop zelf nieuwe zaken binnen te halen.

Volgens mr. X hebben minstens zestien instanties, waaronder de Hoge Raad, de beloningsstructuur van klager onredelijk bevonden. Die jurisprudentielijn en het maatschappelijk belang waren redenen voor mr. X om het bericht op LinkedIn te zetten (naast een uitspraak van de jurist in een uitzending dat cliënten een ander konden kiezen als ze geen no cure no pay wilden – in de praktijk niet dus, zei mr. X).  In de tuchtprocedure legt hij de rechterlijke uitspraken over, plus de opdrachtovereenkomst die klager hanteert.

De raad van discipline ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat mr. X zijn uitspraken voldoende heeft  onderbouwd. Hij hoefde de naam van de betrokken cliënt niet te noemen – sterker: dat zou in strijd zijn met de geheimhoudingsplicht). Klager heeft daartegenover de klacht onvoldoende onderbouwd en concreet gemaakt. Ook is niet gebleken dat mr. X met onjuiste informatie probeerde nieuwe zaken te verwerven. Over de woorden ‘laster’ en ‘smaad’: dat zijn strafrechtelijke kwalificaties, waar de tuchtrechter geen uitspraak over doet.

Op dat laatste punt verklaart de tuchtrechter zich onbevoegd, voor het overige is de klacht ongegrond.

De letselschadepraktijk kenmerkt zich door veel soorten soorten aanbieders van wisselende kwaliteit in een ondoorzichtige markt. Een kwaliteitsslag is hard nodig, zo schreef het WODC in 2024 in een rapport.

Trudeke

Trudeke Sillevis Smitt

Freelance redacteur

Profile page
Advertentie