Aan dat experiment, dat inmiddels drie keer is geëvalueerd en verlengd, komt met de komende jaarwisseling definitief een einde. In de Verordening op de advocatuur (Voda) geldt vanaf dat moment de bepaling dat letselschadeadvocaten onder voorwaarden een resultaatgerelateerd honorarium in rekening mogen brengen.
De bepaling beoogt de toegang tot het recht te vergroten voor rechtszoekenden die niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtshulp maar niet zelf een advocaat kunnen betalen. Ook wil de regeling advocaten meer concurrentiekracht bieden ten opzichte van letselschadebureaus.
Hoewel het college van afgevaardigden dinsdag in meerderheid voor de regeling stemde, toonde een klein aantal leden zich fel tegenstander. Zo betoogde de Overijsselse advocaat Arco Blankestijn dat ‘no cure no pay’ een eind maakt aan de onafhankelijkheid van de advocaat. Die krijgt immers financieel belang bij de uitkomst van een zaak, hetgeen zijn keuzes kan beïnvloeden. Het is wachten tot zich de eerste misstanden aandienen of dat ook andere rechtsgebieden zich melden voor een vergelijkbare regeling, voorspelde hij.
Volgens NOvA-bestuurder Else Loes Pasma loopt dat allemaal niet zo’n vaart. Ze wees erop dat het momenteel jaarlijks maar om ongeveer tachtig zaken gaat. Bovendien staat de regeling niet toe dat een advocaat meer dan 25 of 35 procent van het resultaat als honorarium opstrijkt. Andere bepalingen in de Voda stellen daarnaast dat het aantal uren dat aan een zaak wordt besteed, bepalend moet zijn voor het honorarium.
De Rotterdamse advocaat Paul de Gier vond het ‘dogmatisch moeilijk’ om ‘no cure no pay’ slechts voor een kleine groep advocaten toe te staan, terwijl andere rechtsgebieden, zoals het familierecht, daar ook baat bij kunnen hebben. ‘No cure no pay voor de hele beroepsgroep is voor mij volstrekt ondenkbaar’, aldus Pasma. ‘Het gaat in dit geval om groep rechtzoekenden die anders verstoken blijft van rechtsbijstand.’

Advertentie