Een vader wilde het grote internationale familiebedrijf overdragen aan de volgende generatie. In dat kader moest zijn zoon 25 procent van de aandelen in een holding overdragen aan zijn dochter.

De notarissen van het kantoor van mr. X regelden de aandelenoverdracht. Advocaten van het kantoor bekeken of de conceptovereenkomst waarin broer en zus hun onderlinge afspraken wilden vastleggen in overeenstemming was met Nederlands recht en de statuten. Ze hadden daarover contact met de zus, die de adviezen weer met haar broer deelde. Ook adviseerden ze de zus rechtstreeks over haar eigen (fiscale) positie.

Zes jaar later vond de zus dat haar broer en de bv haar rechten en belangen als minderheidsaandeelhouder en directeur misbruikten en negeerden. Het kantoor van mr. X deelde haar mede de bv in dit conflict bij te staan.

De zus maakte bezwaar omdat het kantoor eerder voor haar was opgetreden. Mr. X reageerde hierop: het kantoor had alleen de bv bijgestaan. Bovendien had het werk van toen geen betrekking op het huidige conflict en had het kantoor ook geen vertrouwelijke informatie die tegen haar gebruikt zou kunnen worden, aldus mr. X.

Toen de zus een klacht indiende, kwam er een gesprek bij de deken, die als voorlopig oordeel gaf dat mr. X voor de bv mocht optreden.

Maar daar dacht de raad van discipline Amsterdam anders over. Volgens de raad was de zus indertijd wel degelijk zelf ook cliënt en ging het toen over dezelfde zaak. Mr. X strandde dus al op de eerste van de drie cumulatieve eisen van Gedragsregel 15 lid 3. Hij krijgt een waarschuwing, maar gaat in beroep bij het Hof van Discipline.

Daar laat mr. X uiteindelijk het standpunt vallen dat de zus geen cliënt was, maar volgens hem ging het slechts om een ‘paar aanknopingspunten die op basis van de administratie niet of nauwelijks te achterhalen waren’. Over de inhoud van de concept-aandeelhoudersovereenkomst had het kantoor niet geadviseerd, aldus mr. X, het zou eigenlijk alleen gaan om de doorwerking in de statuten. Hij handhaaft dat aan de drie eisen om tegen de zus als ex-cliënt te mogen optreden was voldaan.

Het Hof van Discipline concludeert uit de feiten dat het kantoor wel degelijk adviseerde over de aandeelhoudersovereenkomst. En je kunt, zegt het hof, de werkzaamheden voor de bv niet los zien van de context waarbinnen die plaatsvonden. De beoogde aandeelhoudersovereenkomst moest onder meer de belangen van de broer en van de zus als minderheidsaandeelhouder regelen. Als de belangen van de zus dan later botsen met die van de bv en de broer, betreft dat dezelfde zaak, zegt het hof. Je moet je daar dus buiten houden. Het blijft een waarschuwing.

Trudeke

Trudeke Sillevis Smitt

Freelance redacteur

Profile page
Advertentie