De cliënt van mr. X wilde een stuk grond claimen in Suriname. In 2017 vertelde hij mr. X dat hij de grond van zijn vader had geërfd. Mr. X noteerde dat er een verklaring van erfrecht moest komen.

Hij stuurde voortvarend een sommatie om de verjaring te stuiten en schakelde een advocaat in Suriname in om beslag te leggen. Die vroeg om een erfrechtverklaring, anders ging het niet lukken. Maar mr. X stuurde alleen een overlijdensakte van de vader en ID-gegevens van de erfgenamen.

Toen volgden er drie jaren waarin de cliënt regelmatig vroeg om nieuws, maar er weinig of niks gebeurde en mr. X vaak ook niet antwoordde op vragen.

In 2020 meldde mr. X dat hij nieuws had uit Suriname en of de cliënt maar ‘per ommegaande’ een erfrechtverklaring kon sturen. Als de cliënt die niet had, wilde hij de ID-gegevens van de erfgenamen hebben (die hij dus al had).

Begin 2023 ontving mr. X een brief van een nieuwe gemachtigde van de cliënt: mr. X had € 5.000 voorschot ontvangen in 2017, maar wat had hij behalve indertijd een sommatie aan de wederpartij sturen, sindsdien gedaan?

Mr. X bleef, ook na betekening van deze brief, stil. Pas toen de gemachtigde meldde de zaak over te nemen en vroeg om de naam van de Surinaamse advocaat kwam mr. X met uitleg, waaruit bleek dat eigenlijk alles nog op hetzelfde punt stond. De naam van de Surinaamse advocaat gaf hij niet, ook niet aan de cliënt. Een financiële verantwoording gaf hij evenmin.

De cliënt diende een klacht in, maar schikte in januari 2025 met mr. X. Die betaalde vrijwel het hele voorschot terug, ook de € 2.050 die hij had doorbetaald aan de Surinaamse advocaat. De cliënt trok de klacht in.

Maar helaas voor mr. X was dit toch niet het einde van het verhaal. Op verzoek van de deken zette de raad bij tussenbeslissing de behandeling voort ‘om redenen van algemeen belang’ – met name omdat naar het oordeel van de raad de financiële integriteit in het geding was.

In de einduitspraak krijgt mr. X een berisping. Dat was wat ook de deken voor ogen had. Mr. X had niet moedwillig de financiële belangen van zijn cliënt geschonden. En het was natuurlijk mooi dat hij geschikt had en zei lering uit de zaak te hebben getrokken.

Het verwijt lag meer, aldus de raad, in het niet (blijvend) voortvarend handelen, het niet vastleggen van financiële afspraken en verantwoording daarvan, het niet op de hoogte houden van de cliënt en het desgevraagd niet verstrekken van het dossier en de naam van de advocaat in Suriname.

Het komt niet vaak voor dat de advocatentuchtrechter na intrekking van een klacht de zaak omwille van het algemeen belang voortzet. In de tussenuitspraak (ECLI:NL:TADRSGR:2025:64) is te lezen welke uitgangspunten daarbij gelden.

Advertentie