En die vraag is, wat mij betreft, níét in de eerste plaats of er in Gaza sprake is van genocide. De vraag is of de NOvA als beroepsorganisatie van advocaten een taak heeft om – binnen haar mogelijkheden – stelling te nemen wanneer waar ook ter wereld de meest fundamentele beginselen van menselijkheid worden geschonden. Zoals nu in Gaza. Of in Darfoer. Of elders waar rechteloosheid en menselijk leed pijnlijk zichtbaar zijn.

De Algemene Raad vindt van niet. Dat blijkt uit de publicaties in de aanloop naar de vergadering. Volgens de Raad is de taak van de NOvA beperkt tot het bevorderen en bewaken van het functioneren van de advocatuur in Nederland. Dat zou zo zijn ‘volgens de wet’.

Zelfs zuiver juridisch bezien valt op dit standpunt het nodige af te dingen. Maar belangrijker is een andere, fundamentelere vraag: Laat de tijd waarin wij leven nog wel toe dat wij onze rol als beroepsgroep zo beperkt opvatten? Of vraagt de wereld van vandaag om moediger, meer betrokken keuzes ter bescherming van de rechtsstaat en de internationale rechtsorde?

Mijn grootvader was in de jaren dertig van de vorige eeuw advocaat in Berlijn. Hij stond – zoals wij dat nu zouden zeggen – aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Hij was fout geweest. Als jongere schaamde ik mij voor hem. Later, toen ik zijn brieven uit de oorlog en uit ruim zes jaar krijgsgevangenschap las, begreep ik beter wie hij was en hoe hij dacht. Dat bracht meer inzicht, maar geen rechtvaardiging. Zijn keuzes waren fout, en dat blijven ze.

Maar zijn geschiedenis bracht mij wel tot een ongemakkelijke vraag: hoe zou ik handelen in een tijd van fundamentele morele beproeving?

Mijn grootvader had geen goed antwoord op de vraag wat hij deed toen Duitsland de wereld in brand zette en onvoorstelbaar veel gruwelijk leed veroorzaakte – in het bijzonder onder joden. Hij leefde in een tijd van steeds diepere polarisatie, waarin bevolkingsgroepen openlijk en zonder schaamte als minderwaardig werden weggezet. Een tijd waarin staten zich niet meer gebonden voelden aan een ‘regelgebaseerde’ internationale orde, maar andere staten bedreigden, afpersten of binnenvielen. Een tijd van wapenwedlopen en het openlijk herleven van fascistisch gedachtengoed in media en parlementen. Een tijd waarin je moest oppassen met wat  je tegen wie zei, alles kon consequenties hebben. Voor jou, voor je naasten, voor je carrière, ja zelfs fysieke consequenties dreigden. Een tijd waarin internationale instellingen en organisaties werden genegeerd of zelfs ontmanteld. Een tijd waarin het ongegeneerd laten prevaleren van eigenbelang — of dat zich nu tussen mensen afspeelt of tussen staten — meer en meer de maatschappelijk aanvaarde norm werd. Een tijd waarin verantwoordelijkheid nemen voor het grotere geheel uit de mode raakte, en waarin het collectieve besef dat wij elkaar nodig hebben, langzaam afbrokkelde.

Een tijd, kortom, die pijnlijk veel lijkt op de tijd waarin wij nu leven.

Hebben wij straks wel een goed antwoord? Of zeggen wij later: ‘Het had geen enkel verschil gemaakt of de Orde zich nu wel of niet had uitgesproken voor de mensen in Gaza’? Vermoedelijk is dat juist. Maar Duitsers die na de oorlog hun stilzitten hiermee wilden rechtvaardigen, werden weggehoond. Niet omdat hun redenering feitelijk onjuist was, maar omdat zij moreel leeg was.

Een ander vaak gehoord argument – ook door de Algemene Raad gebruikt – is dat je je niet over al het onrecht in de wereld kunt uitspreken. Want dan kun je wel aan de gang blijven. Maar is dat werkelijk een overtuigend argument? Is de boodschap aan mensen in Gaza, Darfoer, Jemen, Oekraïne dan: Het is te veel, dus we doen maar niets?
Is dat werkelijk de houding van een beroepsgroep die zich beroept op kernwaarden, op humaniteit, op de rechtsstaat?

Een derde argument is dat de wet de NOvA een beperkte taak geeft die niet toelaat dat zij zich schaart achter een standpunt dat onze Europese koepel al heeft ingenomen. Dat de NOvA niet aan politiek doet. Maar ondertussen beoordelen wij in Nederland wél verkiezingsprogramma’s op hun rechtsstatelijke gehalte. Is dat niet evenzeer een politieke handeling? En waarom dan het ene wel, en het andere niet? Is dat een overtuigend verhaal?

In een ideale wereld met een robuuste internationale rechtsorde, waarin instituties functioneren en machtsmisbruik tijdig kan worden gecorrigeerd, zou onze terughoudendheid wellicht te verdedigen zijn. Maar de wereld van vandaag is verre van ideaal. Zij staat niet alleen op het punt van ontsporen; op veel plekken is dat al gebeurd.

In zo’n wereld vraagt de tijd van ons méér. Meer moed. Meer betrokkenheid. Meer bereidheid om onze stem te gebruiken wanneer recht en menselijkheid onder druk staan.

Daarom wil ik de Algemene Raad oproepen om in zijn afwegingen niet enkel de strikte letter van de wet te hanteren, maar óók af te wegen of de tijd waarin we leven niet om een bredere uitleg van de wet- als die wet al beperkend zou zijn- zou vragen.  De rechtsstaat stopt niet bij onze landsgrenzen. De internationale rechtsorde is geen abstract concept, maar een fundament dat ons vak überhaupt mogelijk maakt.

In de jaren dertig vroeg de wereld om andere keuzes van velen – onder wie mijn grootvader, ook een collega, maar in een andere tijd. Nu vraagt de wereld opnieuw om keuzes. De juiste keuzes. Dappere keuzes. Van mij. Van u. Van ons allemaal. De vraag is niet alleen wat de Orde al dan niet mag doen. De vraag is: wat zullen wij later antwoorden als ons wordt gevraagd wat wij hebben gedaan toen…?

Als wij op 2 december de moed hebben om hierover in alle openheid en op de inhoud met elkaar in debat te gaan, doen wij recht aan de maatschappelijke taak die wij als organisatie van advocaten in Nederland dragen. En als wij daarbij tot de conclusie komen dat onze verantwoordelijkheid in deze tijd breder moet worden opgevat, en ons uitspreken, te beginnen over Gaza, dan veroorzaken wij misschien geen aardverschuiving — maar wél een rimpeling. Een rimpeling die, samen met andere rimpelingen, het water in beweging brengt en het tij kan keren. Dat is wat wij kunnen doen. Dat is wat in onze macht ligt.

Maar als wij toestaan dat het gesprek verwordt tot een gepolariseerde strijd tussen ‘voor’ of ’tegen’ Israël, en er daarna winnaars en verliezers uit de zaal lopen, dan hebben wij gefaald. Gefaald tegenover onszelf, tegenover onze kernwaarden, en tegenover de samenleving die van ons verwacht dat wij met betrekking tot dit soort verantwoordelijkheden boven de loopgraven uitstijgen.

Till Kressin is advocaat en Rechtsanwalt in Arnhem, gespecialiseerd in het ondernemingsrecht.

Advertentie