Mr. X trad op voor een ziekenhuis en twee ‘beklaagden’, in een klachtzaak van een medewerkster. Een externe klachtencommissie behandelde de klacht. Partijen spraken af de communicatie met de commissie en onderling open te houden. Mr. X bevestigde dat ze elkaar kopieën zouden sturen van berichten aan de commissie over de inhoud of procesgang.
De commissie besloot klaagster en de ‘beklaagden’ (in strijd met de klachtenregeling) afzonderlijk te horen. Dit was voor mr. X aanleiding de eerste reactie van haar cliënten op de klacht alleen aan de commissie te sturen. Er gold immers vertrouwelijkheid, of zag de commissie dat anders? Het was goed zo, schreef de secretaris terug. De commissie zou t.z.t. zelf de regie voeren over stukkeninzage in het kader van wederhoor.
Na de individuele gehoorgesprekken vroeg de commissie aan mr. X of het goed was om het dossier niet te splitsen. Ze kreeg ter beoordeling daarvan het hele onderzoeksdossier digitaal toegezonden, en mocht na uitsluitsel hierover ook haar cliënten inzage geven. Volgens de mail ging een vergelijkbaar bericht naar de advocaat van klaagster, maar niets wijst erop dat dit gebeurde.
Klaagster kreeg voorafgaand aan haar wederhoorgesprek slechts twee uur de tijd om het dikke onderzoeksdossier te bekijken. De rechtbank Rotterdam maakte in een bodemprocedure gehakt van het handelen van de klachtencommissie.
En mr. X? De raad van discipline Den Bosch acht de klachten tegen haar ongegrond.
Weliswaar was uitgangspunt van de klachtprocedure dat partijen de processtukken tegelijk zouden krijgen, lag er daarover ook een afspraak tussen partijen én gold gedragsregel 21 hier ook, toch mocht mr. X de eerste reactie van haar cliënten alleen aan de commissie sturen. Partijen zouden immers apart van elkaar worden gehoord en de commissie had het correct gevonden. Dat de commissie volgens de civiele rechter onrechtmatig handelde, maakt dat niet anders. Van heimelijke afspraken om klaagster te benadelen of misbruik van positie was niet gebleken.
Verder had de klachtencommissie zelf het initiatief genomen om mr. X te vragen naar haar visie op de noodzaak tot dossiersplitsing. Dat zij daarop was ingegaan, viel binnen de haar toekomende vrijheid in de belangenbehartiging.
Mr. X had als advocaat van de opdrachtgever ook niet de (eind)verantwoordelijkheid over het verloop van het proces. Voor zover de goede procesorde en het recht op een eerlijk proces waren geschaad, kwam dit op het conto van de klachtencommissie.
De klacht is ongegrond.
Natuurlijk, de commissie gaat over handhaving van het procesreglement. Maar toch niet over de gedragsregels en de gedane belofte over openheid. Wat zijn die waard als een advocaat ze stilzwijgend mag breken, met een beroep op een prutsende derde?
