Mr. X trad op voor een verhuurder van bedrijfsruimte. In de huurovereenkomst stond dat huurder en verhuurder gezamenlijk binnen 23 maanden de kantonrechter goedkeuring zouden vragen voor afspraken in de overeenkomst die afweken van semi-dwingend recht (artikel 7:291 BW). Voor het geval de kantonrechter het verzoek zou afwijzen zouden ze een einddatum vragen.

Een half jaar voordat de overeenkomst zou eindigen werd een zogenaamde ‘allonge’ opgesteld om de huur voorlopig te verlengen. Ook daarin stond dat partijen de kantonrechter gezamenlijk goedkeuring zouden vragen voor de daarin opgenomen van semi-dwingend recht afwijkende afspraken.

Daarna stelde mr. X op verzoek van de verhuurder het gezamenlijke verzoekschrift op voor de afwijkende afspraken in huurovereenkomst en allonge. Met de huurder had ze geen contact hierover. De kantonrechter keurde de afspraken goed.

Maar twee jaar later stelde de huurder zich op het standpunt dat er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan. De afwijkende afspraken waren volgens hem niet aan de kantonrechter voorgelegd, dus die waren niet geldig.

De huurder klaagt bij de raad van discipline Den Haag dat mr. X vooraf zijn individuele wensen en de gevolgen van het verzoekschrift met hem had moeten bespreken, en zijn toestemming had moeten vragen voor indiening.

Volgens mr. X had de huurder met het ondertekenen van de huurovereenkomst en de allonge toestemming verleend. De verhuurder had haar mede namens de huurder gevraagd het verzoek in te dienen en ook gezegd dat de huurder akkoord ging. Zij had geen reden om daaraan te twijfelen, gezien de afspraken en het belang van beide partijen erbij hadden. De verhuurder had recent nog verteld dat de huurder op de hoogte was en blij was dat de verhuurder de kosten droeg. Een gezamenlijk verzoek was, zo voegde ze toe, ook staande praktijk.

De raad constateert dat mr. X geen rechtstreekse opdracht had van de huurder toen zij namens hem het verzoek indiende. Ook al zou een gezamenlijk verzoek staande praktijk zijn, dan nog moet een advocaat zich ervan vergewissen dat zo’n verzoek door beide partijen wordt gedragen. Het artikel in de huurovereenkomst was heel ruim geformuleerd en kon niet worden begrepen als een volmacht voor de advocaat om het verzoek in te dienen.

Mr. X had op zijn minst de huurder moeten informeren over het in te dienen verzoekschrift en de verdere procedure. Ook het feit dat ze de beschikking niet naar de huurder stuurde is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De huurder kwam er hierdoor pas twee jaar later achter dat er mede namens hem een procedure was gevoerd terwijl hij dacht inmiddels een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd te hebben.

Mr. X krijgt een waarschuwing.

Advertentie