Op 27 januari 2020 kreeg mr. X van een mediator de opdracht namens een echtpaar een gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek in te dienen. Er liep op dat moment bij de rechtbank een verzoek van de vrouw tot onderbewindstelling, dat op 12 februari zou worden behandeld. Reden was om ingedekt te zijn tegen spontane uitgaven, vanwege een bipolaire stoornis.
Op 30 januari 2020 bevestigde mr. X aan de betrokkenen dat ze alles telefonisch had doorgenomen, dat iedereen de afspraken en juridische gevolgen begreep en men er nog steeds mee instemde. Nu de bewindvoering nog niet was uitgesproken speelde de bewindvoerder vooralsnog geen rol bij de echtscheiding, aldus mr. X. Beide partijen gaven hierop hun akkoord.
Op 13 februari 2020 sprak de rechtbank de echtscheiding uit. Op de 17e legde mr. X beide partijen nogmaals voor of ze akkoord gingen met de gemaakte afspraken en verzocht ze hun de akte van berusting te tekenen. Beiden stemden dezelfde dag in.
Op 19 februari 2020 werd de vrouw onder bewind gesteld. In april tekende ze samen met haar bewindvoerder bij de notaris de akte van verdeling van de echtelijke woning.
Op 27 december 2023 beëindigde de rechtbank het bewind met ingang van twee weken daarna.
Op 1 augustus 2024 diende de vrouw een klacht in tegen mr. X bij de deken, die hem op 8 juli 2025 doorstuurde naar de raad van discipline.
De vrouw verweet mr. X dat zij haar wilsbekwaamheid niet had onderzocht. De vrouw was indertijd ziek, zo stelde ze, en kon daardoor de gevolgen van de regeling niet overzien. Mr. X had nooit het echtscheidingsverzoek namens haar mogen indienen. Ze was daardoor financieel benadeeld.
Volgens de vrouw was ze pas vanaf mei 2024 in staat geweest om een klacht in te dienen. De diagnose bipolaire stoornis en de medicatie daartegen waren achteraf verkeerd en daardoor was ze jarenlang geestelijk en lichamelijk uitgevallen. De stukken die ze overlegde om dit te onderbouwen werden door mr. X betwist.
De raad van discipline Arnhem-Leeuwarden wijst op art. 46g Advocatenwet. Omdat mr. X tot eind februari 2020 werkzaamheden had gedaan, begon de klachttermijn van drie jaar volgens de raad begin maart 2020 te lopen. Dat de vrouw tot in 2024 niet in staat was een klacht in te dienen kan de raad op grond van de (betwiste) stukken niet vaststellen. De raad wijst er op dat kort na de echtscheiding de bewindvoerder werd benoemd, hij betrokken was geweest bij de notariële afwikkeling en blijkbaar nooit met vragen was gekomen over de echtscheidingsregeling. Het beroep van de vrouw op verschoonbare termijnoverschrijding slaagt niet.
De raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk.