Mr. X stond een verhuurder van een bedrijfspand bij. De cliënt wilde een huurder eruit hebben om het pand leeg te verkopen. Mr. X kwam met de advocaat van de wederpartij overeen dat de huurder het pand zou vertrekken tegen een afkoopsom van € 50.000.
Omdat de financiële situatie van de verhuurder precair was, bedong de advocaat van de huurder bij mr. X dat hij € 50.000 uit de koopsom door de notaris op de derdenrekening zou laten storten. Mr. X bevestigde die toezegging herhaaldelijk en maakte duidelijk dat daarmee de vordering van de huurder zeker was gesteld.
Maar toen de huurder het pand had ontruimd, stelde mr. X dat dit te laat was gebeurd en dat het pand niet schadevrij en in oude staat hersteld was.
Dit alles betwistte de advocaat van de huurder, en zij vroeg om bevestiging dat mr. X de 50K zou overmaken. Reactie van mr. X: gezien de ernstige tekortkomingen zou mr. X wel begrijpen dat de notaris niets had overgemaakt en er dus ook geen derdengeld was ontvangen.
De advocaat van de huurder klaagde. De raad van discipline gaf mr. X een berisping wegens onwelwillendheid (gedragsregel 24). De derdenrekening-afspraak was gemaakt om het bedrag veilig te stellen voor als de verhuurder geen verhaal bood. Klaagster mocht er vanuit gaan dat het bedrag hoe dan ook naar die derdenrekening zou staan totdat de zaak kon worden afgewikkeld. Mr. X had zichzelf en zijn cliënt bij uitsluiting zeggenschap gegeven over de vraag of de huurder de afspraken was nagekomen en had daarmee de essentie van de derdenrekening-afspraak uitgehold.
Mr. X ging in hoger beroep – en toen bleek dat hij zelf conservatoire beslagen had leggen op het pand, eentje nota bene op dezelfde dag als zijn toezegging over de ‘veiligstelling’ van de € 50.000. Bij de overdracht had de notaris mr. X uit de verkoopopbrengst meer dan € 250.000 betaald.
Nu is mr. X verder van huis: het Hof van Discipline geeft hem – mede gezien zijn tuchtrechtelijk verleden – een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken. Naast wat de raad al vaststelde, had mr. X geïnsinueerd dat de notaris niks had overgemaakt, terwijl die aan hem persoonlijk 2,5 ton had betaald. Ook had mr. X transparant moeten zijn over de beslagen, omdat die de verhaalspositie van de huurder beïnvloedden. Mr. X was niet alleen onwelwillend geweest, maar had ook het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
Hopelijk is het toeval, en geen teken van een accelererende trend, maar vorige week was er nóg een uitspraak over onderlinge onwelwillendheid, bij de raad van discipline Den Bosch. Twee advocaten hadden een conflict met een ex-cliënt en klaagden over mr. X, die voor die ex-cliënt optrad. Reden: ze gaf in een spoedeisende kwestie een korte termijn voor een reactie en verwarde daarbij de term ‘dwangsom’ met ‘boete’. Klacht ongegrond, en daarbij krijgen de klagers een veeg uit de pan: zij hadden zélf lichtvaardig geklaagd, wat moeilijk te rijmen viel met hun betoog dat ze zo’n waarde hechtten aan onderlinge welwillendheid.
Opvallend: ook in deze zaak waren de niet-welwillenden zelf schuldeisers, en dus belanghebbenden.
