Mr. X had een Bulgaarse cliënte in hechtenis. Hij sprak met een politiemedewerkster af dat ze elkaar voor de ondertekening van een DNA-onderzoektoestemmingsformulier zouden treffen op de rechtbank, waar zijn cliënte voor raadkamerverhoor in het cellenblok zou zijn.
Op het afgesproken tijdstip spraken de medewerkster en een collega met de cliënte in een cel, terwijl mr. X in een spreekkamer zat te wachten. Daarover ontstak mr. X in woede. Volgens de medewerkster vroeg mr. X haar of zij wel ‘door de test was gekomen’ en zei hij dat ze ‘een IQ van 100 had’ en dat ‘zij’ niet te vertrouwen waren. Dit in het bijzijn van de collega, de cliënte en de arrestantenbewaking. De collega bevestigde de lezing van de medewerkster.
De medewerkster klaagt dat mr. X onbetamelijk heeft gehandeld. Zij had het niet zo begrepen dat mr. X er per se bij wilde zijn en dat was ook niet nodig. Zij voelt zich aangetast in haar integriteit als politiemedewerker, gekleineerd en niet serieus genomen.
Volgens mr. X had hij nadrukkelijk met de medewerkster afgesproken dat hij erbij zou zijn. Hij had herhaaldelijk gezegd dat hij niet wilde dat de politie zijn cliënte, die geen Nederlands sprak, buiten zijn aanwezigheid benaderde. Zijn opmerking dat klaagster en haar collega niet te vertrouwen waren, was dan ook volkomen terecht, aldus mr. X. Dat anderen het gesprek opvingen was volgens hem niet relevant. Hij betwistte dat hij iets had gezegd over de intelligentie van klaagster.
Grimmig
De raad van discipline Arnhem-Leeuwarden heeft begrip voor ‘enige boosheid en frustratie’, maar mr. X ging te ver en handelde ‘een advocaat onwaardig’ door de betrouwbaarheid van een politieambtenaar in twijfel te trekken. De andere uitlatingen, bevestigd door de collega, stonden ook vast en waren volstrekt onbetamelijk. Het gesprek was zelfs zo grimmig geworden dat de collega klaagster had meegenomen om verdere problemen te voorkomen. De manier waarop mr. X had gereageerd kon niet als ‘functionele boosheid’ worden gezien. Daarbij vindt de raad het wel relevant dat er anderen bij waren.
Het voorval kon als een eenmalig incident worden beschouwd, maar mr. X had zich achteraf moeten realiseren dat hij te ver was gegaan. Hij had kunnen bellen om het uit te praten of later in het proces excuses kunnen maken. Hij deed dit pas, deels, op de zitting bij de raad, maar welgemeend kwam het niet over.
Mr. X had zich onprofessioneel en onnodig grievend gedragen jegens een politieambtenaar in het bijzijn van derden en krijgt een waarschuwing.
