Versterking van de waarheidsplicht, meerdere voorlopige bewijsverrichtingen in één verzoekschrift, een uitgebreider inzagerecht, een nieuwe regeling voor conservatoir bewijsbeslag en een grotere regierol voor de rechter. Sinds 1 januari 2025 is het instrumentarium in civiele zaken bij wet flink vergroot. Zaken die na die datum zijn gestart, vallen onder het nieuwe bewijsrecht. Het verschilt per rechtsgebied, maar over het algemeen tonen betrokken advocaten zich optimistisch over de wet.
‘Het is goed dat de richtlijnen die in jurisprudentie zijn ontstaan nu in de wet zijn verankerd,’ zegt Marcus Draaisma, arbeidsrechtadvocaat en partner bij Palthe Oberman Advocaten in Amsterdam. ‘Als partij heb je nu tools in handen om de zaak al van tevoren goed voor te bereiden. Voordat je de inhoud naar de rechter brengt. Dat is goed voor de waarheidsvinding en de efficiëntie. Bovendien is een extra afslag ontstaan om zaken tussentijds te schikken.’
De wet legt een ontwikkeling vast die al decennia gaande is. Het bewijsrecht beter aan laten sluiten bij de huidige praktijk was dan ook het primaire doel van de nieuwe bepalingen. ‘In 2002 is de waarheidsplicht ingevoerd en heeft de rechter meer bevoegdheden gekregen,’ vertelt mr. dr. Ruth de Bock, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, deeltijdhoogleraar Civiele rechtspleging aan de UvA en voorafgaand aan invoering van de wet lid van de expertgroep Modernisering bewijsrecht. ‘Dat is in de loop der tijd uitgebreid in de wet en in de rechtspraak. De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht kun je als de finishing touch zien.’
