Een echtpaar en vele van hun vennootschappen gingen failliet. Er liepen 300 procedures rond die faillissementen, veelal gestart door de failliete man, meneer L.
Mr. X stond op verzoek van L een paar overeind gebleven vennootschappen bij. Vooraf sprak hij, na afstemming met de deken, af dat een derde de rekeningen zou betalen. L en die geldschieter verklaarden dat het geld niet afkomstig zou zijn van een van de faillieten en ook niet aan de geldschieter zou worden terugbetaald.
De curatoren klaagden niettemin dat mr. X zich liet betalen uit geld dat wel aan de boedel moest zijn onttrokken. Mr. X had nader onderzoek moeten doen, ook tussentijds bij latere opdrachten, en had zich volgens hen schuldig gemaakt aan witwassen.
De geldschieter gedroeg zich namelijk als stroman van L en had zelf nog miljoenen van L tegoed. Dat L hem niet zou hoeven terugbetalen was in dit licht ongeloofwaardig. Bovendien was de geldschieter intussen dement. Ook bevatte een grootboekrekening verdachte posten die wezen op betaling door vennootschappen van L.
Intussen leefde L nog steeds in grote luxe in Dubai en procedeerde maar door. Mr. X had met de curatoren moeten overleggen, vonden de curatoren.
Het Hof van Discipline overweegt dat een advocaat in een geval als dit in het kader van de vergewisplicht ten minste moet kijken naar de financiële situatie van cliënt en geldschieter en naar hun onderlinge relatie (ECL:NL:TAHVD:2020:163).
Mr. X had zijn voorwaarden met de cliënten besproken en concreet vastgelegd wanneer hij zou moeten stoppen. Hij had de geldschieter en diens vrouw telefonisch en op kantoor gesproken en had zich ervan vergewist wat hun relatie was met L, waarom de geldschieter wilde betalen, dat hij kon betalen en dat zijn vrouw ermee instemde.
Volgens het Hof was dit genoeg. De geschetste omstandigheden waren onvoldoende reden om te concluderen dat mr. X de geldschieter niet als ‘veilige’ betaler mocht beschouwen. Dat gold ook voor de verdachte grootboekrekeningposten, al was het maar omdat mr. X die niet kende.
De curatoren hadden ook niet hard gemaakt dat L de kosten voor zijn rekening had genomen. Dat ze het onaannemelijk vonden dat de geldschieter uit eigen zak had betaald was iets anders.
Later weer onderzoek doen was ook niet nodig, vanwege voldoende verband met de oorspronkelijke opdracht.
En contact opnemen met de curatoren? Dat zou in strijd zijn met de geheimhoudingsplicht.
De klacht is ongegrond.