Een mediapersoonlijkheid deed aangifte tegen een vrouw wegens chantage, afpersing, smaad/laster en stalking. In de strafzaak werd de aangever als slachtoffer aangemerkt.
De vrouw vroeg mr. X om civiele rechtsbijstand. Mr. X schreef de aangever: uw aangifte is vals en alleen ingediend omdat mijn cliënte een lening terugvorderde; u hebt mijn cliënte reputatieschade, een misgelopen opdracht bij de politie en drie maanden extreme buikpijn door soa’s aangedaan. Hij vorderde intrekking van de aangifte en publiekelijke rectificatie jegens de politie, plus ruim € 6.600 voor rijlessen en verblijfskosten (sic).
De aangever klaagde dat mr. X zich voor het karretje van zijn cliënte heeft laten spannen. De sommaties voelden als pressiemiddel om de strafzaak te beïnvloeden. Bovendien had mr. X niet hem, maar zijn advocaat moeten benaderen – te meer omdat een OM-aanwijzing zijn cliënte contact met de aangever verbood.
Volgens mr. X hoefde hij indertijd niet te twijfelen aan wat zijn cliënte vertelde. Van ongepaste druk was geen sprake. Zodra mr. X erachter kwam dat er een strafdossier was, had hij dit opgevraagd en verder geen juridische maatregelen meer genomen. Wel had hij duidelijker moeten zeggen dat hij het standpunt van zijn cliënte verwoordde, en zorgvuldiger moeten zijn in de passages over soa’s en valse aangifte, erkende hij.
De raad van discipline Den Haag oordeelt dat mr. X ten onrechte de stellingen van zijn cliënte als feiten had gepresenteerd, zonder onderbouwing met stukken. Vooral de stelling ‘valse aangifte’ had mr. X, mede gezien de inhoud van die aangifte, nader moeten onderzoeken.
Dat de aangever zich, zeker als mediapersoonlijkheid, onder druk gezet voelde door dat ‘publiekelijk rectificeren jegens de politie’, daar kon de raad wel inkomen.
Mr. X had ook zonder enige blijk van betrokkenheid de eenmanszaak van de aangever aangeschreven en diens manager aansprakelijk gesteld. En wat hadden die soa’s met de kwestie te maken?
De rijlessen en verblijfskosten kwamen eveneens uit de lucht vallen en waren in een latere aanmaning door andere niet-onderbouwde posten vervangen.
Mr. X wist bovendien, of kon weten, dat de aangever in de strafzaak een advocaat had. Die had hij moeten benaderen.
Mr. X had onzorgvuldig gehandeld en de belangen van klager nodeloos geschaad. Genoeg voor een berisping, maar mr. X was indertijd net advocaat-stagiair (ondernemer). Hij kreeg, zo bleek ter zitting, onvoldoende begeleiding – de patroon was op relevante momenten met vakantie of afwezig. Mr. X zag nu in dat hij het anders had moeten doen. Het werd een waarschuwing.
