Volgens de onderzoekers bestaat er in Nederland een duidelijke maatschappelijke behoefte aan vernieuwende praktijkstructuren in de advocatuur. Ze stellen vast dat de markt voor juridische dienstverlening niet optimaal functioneert. Vooral mensen met een laag inkomen komen moeilijk aan rechtshulp. Maar ook middeninkomens en kleinere mkb’ers, die geen recht hebben op toevoegingen, ervaren drempels bij het vinden van betaalbare rechtsbijstand.
Het onderzoek Moderne praktijkstructuren voor advocaten – in het belang van een goede rechtsbedeling bouwt voort op een eerdere analyse van de juridische markt in andere Europese landen. Daaruit bleek al dat verruiming van regels kansen kan bieden voor innovatieve vormen van rechtsbijstand. De nieuwe studie richt zich specifiek op Nederland en de vraag of de huidige regulering nog aansluit bij maatschappelijke behoeften.
Voda
De bestaande regels voor praktijkstructuren zijn vastgelegd in de Advocatenwet en de Verordening op de advocatuur (Voda). Die regelgeving is primair gericht op de professionele onafhankelijkheid van de individuele advocaat en het waarborgen van de kernwaarden van de advocatuur. Volgens de onderzoekers is er daarbij weinig aandacht voor de vraag hoe advocatuur als geheel kan bijdragen aan een goede rechtsbedeling en een beter functionerende markt voor juridische dienstverlening.
De huidige regels staan slechts een beperkt aantal praktijkstructuren toe, zoals zelfstandige advocaten, samenwerkingsverbanden met andere juridische beroepen, en advocaten in dienst van rechtsbijstandsverzekeraars of ideële organisaties. Externe kapitaaldeelneming en meer hybride organisatievormen zijn in hoge mate beperkt, constateren de onderzoekers.
Om vernieuwende praktijkstructuren beter te kunnen beoordelen, ontwikkelden de onderzoekers een beoordelingskader. Centraal daarin staat de bijdrage aan een goede rechtsbedeling, waaronder de toegang tot het recht. Ook moet worden gekeken naar de noodzaak en proportionaliteit van waarborgen die de advocatuurlijke kernwaarden dienen te beschermen.
Op dit moment mogen niet-advocaten geen advocatenkantoor houden, omdat ze niet gebonden zijn aan het tuchtrecht. De onderzoekers stellen voor een erkenningsregeling in te voeren, waarbij niet alleen de individuele advocaat maar ook de praktijkhouder onder toezicht komt te staan. Op die manier kunnen vooraf voorwaarden worden gesteld aan zeggenschap, bestuur en toezicht, zonder dat de professionele onafhankelijkheid van advocaten in het gedrang komt.
Drie fasen
Het rapport bevat een actieplan in drie fasen. In de eerste fase ligt de focus op praktijkstructuren die nu al bestaan of tijdelijk zijn toegestaan, zoals in‑house advocaten bij schaderegelingkantoren (zoals BrandMR), experimenten met alternatieve modellen en verruimingen voor aanbieders van sociale rechtshulp. De onderzoekers menen dat deze experimenten binnen twee jaar in een definitieve regeling kunnen worden omgezet, zonder het vereiste dat de meerderheid van de bestuurders advocaat moet zijn.
Voor ideële organisaties die hoofdzakelijk op het verlenen van sociale rechtshulp zijn gericht, kan het geldende ledenvereiste worden geschrapt. Daartegenover kunnen de betrokken schaderegelingkantoren en ideële organisaties aan een erkenningsregeling worden onderworpen, met verdere waarborgen, waaronder een geschiktheidstoets voor bestuurders die geen advocaat zijn. De erkenningsregeling zou ook moeten gelden voor rechtsbijstandverzekeraars en schaderegelingkantoren die hun in-huis advocaten alleen voor verzekerden laten optreden.
De tweede fase richt zich op complexere thema’s, zoals uitbreiding van multidisciplinaire samenwerkingsverbanden en externe kapitaaldeelneming. Hiervoor is in de ogen van de onderzoekers meer tijd nodig, met besluitvorming rond 2030.
In de derde fase (2032) stellen de onderzoekers voor de regelgeving elders neer te leggen. Op dit moment is de NOvA de regelgever, met besluitvorming door het College van Afgevaardigden. Dat werkt het risico op marktafscherming in de hand, aldus het rapport, dat er voor pleit de beoordeling van praktijkstructuren onder te brengen bij een onafhankelijke instantie. Gedacht wordt aan de nog op te richten Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA).
Het Erasmus/Pro Facto-rapport (opgesteld onder leiding van hoogleraar ondernemingsrecht Christiaan Stokkermans) is niet het enige onderzoek naar alternatieve bedrijfsstructuren. In opdracht van de NOvA verricht ook een commissie onder leiding van hoogleraar corporate governance Jaap Winter (VU, UvA) onafhankelijk onderzoek naar hetzelfde thema. Dat rapport wordt binnenkort verwacht.