Mr. X vertegenwoordigt twee ouders in een conflict met een bouwmaatschappij. Het betreft de uitvoering van een opdracht tot het bouwen van een appartementencomplex. De bouwmaatschappij is voor 50 procent (indirect) in handen van hun zoon.
De bouwmaatschappij legde beslag ten laste van de ouders en er volgden verschillende procedures. Mr. X vorderde in een bodemprocedure dat de bouwmaatschappij het complex zou afbouwen; dat werd toegewezen. Maar de vordering van een geldsom in kort geding en een aanvraag tot faillissement van de bouwmaatschappij werden afgewezen. Twee getuigen verklaarden dat de zoon doelbewust een faillissement van de bouwmaatschappij wilde veroorzaken.
De bouwmaatschappij klaagde over mr. X, op instructie van de ándere bestuurder en mede-aandeelhouder, bij de raad van discipline Amsterdam. Een van de klachten was dat mr. X onvoldoende onderzoek had gedaan naar de identiteit van zijn cliënt – mr. X zou zich voor het karretje van de zoon hebben laten spannen in een frauduleuze constructie om de bouwmaatschappij ten val te brengen.
Maar was de bouwmaatschappij ontvankelijk? Volgens mr. X niet, omdat een beslissing tot het indienen van een klacht alleen door de bestuurders gezamenlijk kon worden genomen. De zoon had daar als mede-bestuurder niet mee ingestemd.
Maar volgens de raad moeten de aandeelhouders/bestuurders zelfstandig tot het indienen van de klacht bevoegd worden geacht, voorzover de klacht ziet op handelen van een advocaat waardoor de vennootschap in haar belangen kan worden geschaad. Anders zou een medeaandeelhouder kunnen bewerkstelligen dat een vennootschap niet in staat is een klacht in te dienen, terwijl die vennootschap daar wel belang bij kan hebben, aldus de raad.
Toch blijft de bouwmaatschappij met lege handen achter. De verwijten gebaseerd op artikelen 7.1 en 7.2 VODA over het vaststellen van de identiteit gaan over de verhouding advocaat/cliënt. De wederpartij heeft daarbij geen rechtstreeks belang en de klacht is daarom niet-ontvankelijk, aldus de raad.
Wat betreft het beeld bij klaagster dat mr. X feitelijk voor de zoon optrad en zo had bijgedragen aan een frauduleuze constructie om haar failliet te laten gaan: mr. X had ter zitting verteld dat hij handelde op basis van een volmacht en dat hij in elk geval later in een Facetime gesprek van de ouders hoorde dat ze het daarmee eens waren. Daarmee was op dit punt voor de raad de kous af.
Deze en enkele andere klachten zijn deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.
